Zoek de lezers overal enlaat ze terugpraten

Sociale media als Facebook en Twitter hebben de journalist dichter bij zijn lezers gebracht, betogen twee boekjes over nieuws en nieuwe media.

„Twitter en Facebook moet je zien als de koffiehuizen van de 21ste eeuw” Illustratie Milo

Twitter en Facebook zijn de koffiehuizen van de 21ste eeuw, zegt Arjan Dasselaar. „Vroeger namen de grote mediaconcerns niet deel aan de conversatie tussen lezers. Nu moeten ze wel.”

Arjan Dasselaar en Erik van Heeswijk, twee kenners op het gebied van media en communicatie, schreven allebei een boekje over journalisten en de nieuwe media. In Mediastorm buigt Van Heeswijk, hoofdredacteur digitaal van de VPRO, zich over de vraag wat de digitale revolutie betekent voor mediabedrijven. In het boekje Social Media Survival, Overlevingsgids voor journalisten geeft journalist Dasselaar tips aan de journalisten hoe zij maximale winst kunnen halen uit sociale media. Hoe belangrijk zijn sociale media eigenlijk om een boodschap te verspreiden?

Sociale media als Twitter, Facebook en Google+ hebben de journalist dichter bij zijn publiek gebracht, meent Van Heeswijk. „Vroeger waren de mediamakers allesweters in een ivoren toren, nu is er geen gebeurtenis of voetbalwedstrijd waarover niet massaal wordt getwitterd. De interactie met het publiek is tegelijkertijd met de gebeurtenis zelf.”

Niet alleen de burger neemt een andere plek in tegenover de journalist. Met de komst van internet en sociale media zijn ook de mediaconcerns zelf veranderd en worden bedrijven in voorheen gescheiden sectoren elkaar directe concurrenten. „Waar de NOS zich voorheen bezighield met de uitzending van die dag en NRC Handelsblad met de krant van morgen, komen ze elkaar nu direct tegen op nieuwssites en sociale media”, zegt Van Heeswijk. Afzonderlijke mediakanalen, zoals tv, radio en internet, groeien naar elkaar. Redacties worden volgens Van Heeswijk multimediale machines die op zoveel mogelijk platformen hun publiek proberen te vinden. „Kranten produceren nu video en omroepen schrijven nieuws. Daarmee maken ze dezelfde soort iPad-applicaties.”

Het gevolg is dat het mediagedrag van de consument enorm in beweging is. Mensen luisteren radio op een tablet, lezen nieuws op een mobieltje, kijken tv op internet via Uitzending gemist. Dat is uitdagend voor de mediabedrijven, maar het levert ook problemen op. Want hoe weet men met welke strategie de mediaconsument te bereiken?

Volgens Van Heeswijk, die in zijn boek een onderscheid maakt tussen trans-, multi- en crossmediaal (zie kader), moeten mediabedrijven zich afvragen op welke manier zij de aandacht van hun publiek willen krijgen. Als voorbeeld noemt hij in zijn boek de dramaproductie In therapie, een tv-serie van de NCRV waarin een psychotherapeut verschillende cliënten behandelt. Naast de dagelijkse tv-uitzendingen hadden de verschillende karakters hun eigen twitter- en facebookaccounts. Het publiek kon direct met ze in discussie gaan. „Dat had een slim marketingeffect: interesse voor het facebookaccount leidde weer tot aandacht voor het gehele project”, aldus van Heeswijk. De tv-afleveringen trokken gemiddeld 450.000 kijkers. De apps zorgden daarnaast voor een groep van 350.000 volgers.

Met deze crossmediale aanpak bereikte de NCRV precies de juiste doelgroep. Voor nieuwsbedrijven kan echter een multimediale benadering beter werken. „Daar is vooral een goede verspreiding via verschillende kanalen belangrijk”, zegt Van Heeswijk. „Nu.nl is een goed voorbeeld. Je vindt hun nieuws op de website maar ook op elk ander apparaat.”

Voor mediabedrijven is het handig als de werknemers zelf ook actief zijn op Twitter en Facebook. Maar ook daar is een strategie nodig. „Je kunt wel alle journalisten laten twitteren maar het is beter om een paar gezichten te kiezen. Bij de VPRO willen we een selectie van twintig mensen de omroep laten vertegenwoordigen. Mensen willen Jelle Brandt Corstius of wetenschapper Rob van Hattum graag volgen. We proberen ze te ondersteunen, niet alleen door ze goed zichtbaar te maken, we geven ze ook informatie, of zelfs een scoop.”

Arjan Dasselaar, die onder meer sociale mediatraining geeft, stuit bij journalisten vaak nog op wantrouwen. „Journalisten zien Twitter als iets technisch, maar je moet het op een persoonlijke manier gebruiken. Je moet je gedragen zoals in het café. Daar sta je ook niet met iedereen te praten.”

Ook ziet hij dat veel mediabedrijven vasthouden aan de tradities. „Het idee ‘wij zijn een krant’ of ‘wij maken radio’ is nog heel sterk. Maar ik denk dat we in een overgangsfase zitten. Ik ben een voorstander van crossmediaal denken. Het mooie is dat je als journalist elke vorm kunt kiezen die je maar wilt.”

Als voorbeeld noemt hij organisaties als nu.nl, RTL Nieuws of weblog Sargasso die zich meer op datajournalistiek zijn gaan richten. „Nu.nl is druk bezig om een vorm te vinden voor verhalen met veel cijfers. Dagblad The Guardian heeft op hun website een data store staan met een diverse verzameling datavisualisatie.”

Toch vindt Dasselaar niet dat mediabedrijven van hun werknemers moeten eisen dat ze Twitter of Google+ gebruiken. „Je dwingt iemand ook niet om op softbal te gaan. Ik zeg dan ook: probeer het met een open blik. Als je het niets vindt, kan je altijd weer stoppen. Het is hetzelfde als wanneer je verhuisd bent. Een nieuwe omgeving moet je leren kennen.”

Hoe ziet de toekomst van papieren nieuwsmedia eruit? Dasselaar: „Dat vind ik lastig. Ik heb altijd The Economist gelezen. Maar nu download ik de podcast. Dat is 8 uur gesproken tekst, daar luister ik dagelijks 1,5 uur naar. Voor mij is dat tijdschrift radio geworden.” Van Heeswijk voorziet dat kranten zich voorlopig nog met tekst zullen bezighouden en omroepen met beeld en geluid. „Maar je gaat uiteindelijk naar dezelfde doelgroep toe, met dezelfde platforms, alles komt samen.”

Erik van Heeswijk: Mediastorm. Boom/Lemma Uitgevers, € 23,50. Arjan Dasselaar: Social Media Survival. Uitgeverij Isopeda, € 7,90.