Pastelkrijt om je tanden in te zetten

Erik Mattijssen, ‘A strong need’ (2009, pastel op papier, 82 × 56 cm)

Erik Mattijssen – As large as life, and twice as natural. T/m 6/1 in Museum Jan Cunen, Oss. Inlichtingen: www.museumjancunen.nl

Tekenaar Erik Mattijssen bouwt een huis. Daar is hij al vele jaren mee bezig, in potlood, pastel en een beetje verf op papier. Het ontstaan van dat huis is goed te volgen in een mooi dik boek over zijn tekeningen, dat vorig jaar verscheen bij Timmer Art Books. Een kleine keuze uit het daarin afgebeelde werk is nu in het echt te zien op Mattijssens eerste museale solotentoonstelling, in het Museum Jan Cunen in Oss.

In elke tekening komt er een kamer of een hoek bij, of anders op zijn minst een beetje huisraad. Eenvoudige tafels en stoelen. Eenpersoonsbedden met spreien, kussens en lappendekens. Wasmanden en afdruiprekken. Hier en daar een potplant of een bosje bloemen. Er liggen plastic kleedjes op tafel en het zonlicht schijnt langs bloemetjesgordijnen naar binnen. In de patronen en kleuren van de gordijnen, kleden en theedoeken zie je modes uit de jaren zestig en zeventig terug, en ook de voorwerpen lijken uit een kringloopwinkel afkomstig.

Erik Mattijssen is geboren in 1957: wat hij tekent zijn de spullen van zijn jeugd. Spullen die nog steeds wel bestaan – vooral „in boerderijtjes op het platteland en in Oost-Europa”, zo weet de kunstenaar – maar die nu vintage heten.

Soms zweeft er een man in de keuken of hangt er een ezel aan draden in de schuur, maar die levende wezens (ademen ze eigenlijk nog wel?) blijven surrealistische figuranten. Uiteindelijk is het doodnormale decor waarin ze verschijnen toch de hoofdzaak. Dat decor heeft met heimwee naar vroeger te maken, met nostalgie, maar het ziet er nooit oud en stoffig uit. Mattijssens huis is geen spookhuis.

Mattijssen weet het verleden levend te houden. De spullen zijn veertig jaar oud, maar de verf is nog nat. Bloemen zijn nog lang geen droogbloemen; behang, kleden en dekens hebben nog hun heldere sixties-kleuren. Mattijssen tekent in dikke lagen pastelkrijt, en omdat hij dat krijt nooit uitveegt, blijven de kleuren intens en hebben de vlakken een smakelijke, poederachtige textuur. Alsof al dat oranje, paars en mintgroen in laagjes over het papier is uitgestrooid. Je zou er haast je tanden in zetten.

Verlekkerd kun je kijken naar hoe bijvoorbeeld een cactus is getekend: als een explosie van puntige vormen met een gekartelde omtrek in allerlei groenen en blauwen. Met David Hockney, zijn „grote held”, heeft Mattijssen gemeen dat het plezier van de tekenaar via het werk op de kijker overslaat. Die wandelt steeds opgetogener door de museumzalen. En dan is het alweer voorbij. Enige bezwaar tegen deze tentoonstelling: hij had nog wel groter gemogen.

    • Gijsbert van der Wal