Opstandige rechters

Minister Opstelten (Justitie, VVD) heeft gekregen waar hij om vroeg. Rechters moeten zich meer manifesteren, meer „zichtbaar” worden in de media en afrekenen met de beeldvorming dat zij „in zichzelf gekeerd, onbereikbaar, ouderwets, misschien zelfs wereldvreemd zijn”. Dat zei de minister in een rede op 15 oktober.

Een aantal raadsheren van het gerechtshof Leeuwarden heeft nu een manifest opgesteld waarin zij ernstige kritiek uitoefenen op de Raad voor de rechtspraak en op de wijze waarop rechters in Nederland hun werk moeten doen. De kwaliteit van hun werk staat „zodanig onder druk” dat „veel zaken niet de aandacht kunnen krijgen die ze verdienen”. Rechters moeten onder productiedwang „onverantwoorde keuzes” maken.

Dat zijn alarmerende woorden in een rechtsstaat, en het zal niet het eerste zijn geweest waaraan Opstelten dacht toen hij de rechters opriep meer in de publiciteit te treden. Maar wat de rechters alvast hebben bereikt, is dat ze het oor van de politiek hebben. Zowel in de Eerste Kamer als in de Tweede Kamer werd gisteren aandacht aan het manifest geschonken. Zo sprak het Tweede Kamerlid Schouw (D66) van „een buitengewoon schokkend signaal”.

Dat is het natuurlijk ook. Als rechters in opstand komen, een zeldzaam verschijnsel, verdient dat maximale aandacht. Op de eerste plaats van de Raad voor de rechtspraak zelf. Het orgaan dat er is om de kwaliteit van de rechtspraak te bevorderen en het kabinet te adviseren over wetsvoorstellen die de organisatie van de rechtspraak raken. Juist deze raad krijgt ervan langs in het manifest. Hij krijgt het verwijt dat rechters zelf zo vaak wordt gemaakt: opereren op grote afstand van de praktijk.

Het is primair aan de Raad voor de rechtspraak om dit geschonden vertrouwen te herstellen. Zeker nu blijkt dat het manifest al door honderden rechters is ondertekend.

Maar ook zal er meer duidelijkheid moeten komen over de vraag wat er van rechters kan en mag worden verwacht, in termen van productie en snelheid van werken.

Daar komt ook de politiek aan te pas, die tenslotte de financiële mogelijkheden bepaalt. In diezelfde toespraak van 15 oktober, gericht tot de presidenten van de gerechten, wees minister Opstelten op de „te lange doorlooptijden” in de strafrechtketen, met een gemiddelde van acht tot negen maanden voor standaardzaken en één tot anderhalf jaar voor complexe zaken. Dat moet veel sneller, vindt hij: over twee jaar moet tweederde van de eenvoudige strafzaken binnen één maand zijn afgehandeld.

Dat is een streven dat menig burger zal onderschrijven. Maar het realiteitsgehalte mag zeer twijfelachtig worden genoemd.