Muziek in donkere tijden

In de donkere dagen voor Kerst speelt, in christelijke samenlevingen, sinds mensenheugenis muziek een grote rol. Van liturgische muziek uit de Middeleeuwen tot Händels Messiah of Bachs Weihnachtsoratorium, concertzalen, radio en televisie laten zich niet onbetuigd. Ook wie niet christelijk is opgevoed, kan zich niet onttrekken aan de schoonheid van deze werken. Juist in de duisternis, bij kaarslicht, ervaar je muziek anders, intenser. Je kunt je voorstellen hoe mensen ooit bijeengezeten hebben bij een flakkerende vlam of een open vuur en samen zongen om de koude en de gevaren van het donker op een afstand te houden. Het wonder van muziek blijft dat de kracht om te ontroeren bijna onverminderd stand houdt, hoe vaak je een werk ook hebt gehoord (iets wat veel minder geldt voor andere kunstvormen, met uitzondering misschien van de poëzie). Muziek werkt zo in op ons brein, en dus onze emoties, dat je een compositie vanaf de eerste noot herkent, maar haar tegelijk als nieuw kunt ervaren.

De combinatie (kaars)licht en zang, al of niet met instrumenten, is echter niet alleen een westerse of een christelijke, maar komt in heel veel religies voor. Ook bij het joodse feest van Chanoeka, de Romeinse Saturnalia of het hindoeïstische Diwalifeest. De religieuze aanleiding is iedere keer een volledig andere, maar achter de formele verklaring voor de rituelen ligt het universele verlangen naar licht en hoop in duistere en koude dagen waarin, per definitie, door het stilliggen van de landbouw, ook de voedselvoorziening karig wordt. Ondanks, of misschien wel dankzij onze spaar- en ledlampen, centrale verwarming en uitpuilende ijskasten en overvloedig gedekte tafels, delen wij nog steeds veel van dat verlangen naar troost.

Dat muziek ook hoop biedt in metaforisch duistere tijden, wordt op ontroerende wijze geïllustreerd door een filmpje dat nu op het internet circuleert en door vele tienduizenden is gezien. Het is een 3,5 minuut durende trailer van een nog niet voltooide documentaire over The Landfill Harmonic, een jeugdorkest in een wijk van 2.500 families in het stadje Caetura, gebouwd op een stortplaats (landfill), in Paraguay. Het filmpje (zie vimeo.com) begint met de geluiden van de wijk: kakelende kippen, blaffende honden, maar ook een vrachtwagen die vuilnis stort. Onder leiding van een arbeider van de stortplaats, Favio Chavez, die ook musicus is, hebben de jongeren van de materialen op de vuilnisbelt – olieblikken, hout, buizen en bestek – instrumenten gebouwd, zoals fluiten, trompetten, violen en cello’s, die, dankzij echte strijkstokken, verbazend echt klinken.

Het gerecyclede orkest speelt klassieke muziek, met een ernst en overgave die aanstekelijk zijn. Op de klanken van Bachs cellosuite dwalen we door de wijk en krijgen we een beeld van het leven bij de vuilnisbelt. In zijn benadering doet het orkest denken aan de aanpak van het muziekprogramma El Sistema, voor kinderen in achterstandswijken in Venezuela, al is dat veel grootschaliger en wordt dat nu professioneel geleid. De oprichter, José Antonio Abreu, die in 2010 de Erasmusprijs ontving, begon in een garage in een arme wijk van Caracas.

In beide gevallen is het devies, zoals Abreu het verwoordt, dat muziek leidt tot sociale verandering, omdat ze de hoogste waarden overbrengt, zoals harmonie, medeleven of discipline, en gemeenschappen verenigt. Wie wil dat niet graag geloven, en, vertaald naar onze context, dromen van klassieke muziek voor kinderen in Vogelaarwijken. Wat zou dat een fantastisch project zijn! Ik zie het Filharmonisch Orkest van Presikhaaf al voor me.

Dat muziek leidt tot sociale verandering is ook de gedachte achter het in Sevilla gevestigde West-Eastern Divan Orchestra, opgericht door de Israëlisch-Argentijnse dirigent Daniel Barenboim en de overleden schrijver Edward Said. In dat orkest spelen voornamelijk jonge musici uit het Midden-Oosten. Barenboim heeft echter niet de pretentie vrede te brengen. De Divan is, zo zei hij, vooral een project tegen de onwetendheid, om te leren luisteren.

Wat al deze voorbeelden laten zien, is dat muziek geen vermaak hoeft te zijn, ook niet of juist niet voor jongeren. Het gaat niet om het ‘opleuken’, maar om het je ernstig aan iets wijden, echt iets leren en daarvoor hard moeten studeren. Dat kunnen, en het samen doen, zijn een bron van eigenwaarde en zelfvertrouwen.

Dit zet aan tot denken, in deze duistere tijden, waarin klassieke muziek, cultuur en educatie buiten de top als onproductieve franje worden gezien, onnodig voor onze concurrentiepositie. Het is onbegrijpelijk dat we ooit zijn beland in de waan dat alles vermaak moet zijn voor internetverslaafden die al multitaskend niet meer dan een minuut aan kunst besteden, en dat het idee dat je je moet inspannen om iets te leren belachelijk wordt gemaakt. Muziek moet niet politiek of maatschappelijk relevant zijn. Dat is ze vanzelf wel, of niet, naar gelang de beoefenaar of toehoorder. Zoals een van de meisjes in de documentaire over het Landfill Harmonic met volle overtuiging zegt: „Mijn leven zou geen waarde hebben zonder muziek.”

Louise O. Fresco is universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, bestuurder en schrijfster.

    • Louise O. Fresco