Een wankel argument dat religie eerder ondergraaft

Stelt Life of Pi, roman én film, dat religie superieur is omdat het een leuker verhaal heeft?

‘The greatest story ever told’, luidt de titel van een van de vele Jezusfilms. Een verhaal. Toen ik eens het voorrecht had een taxi te delen met de Mexicaanse regisseur Guillermo del Toro, vroeg ik hem waarom zo’n enthousiaste atheïst toch zulke barokke, katholieke films maakte, vol duivels en martelaars. Kwestie van opvoeding, zei Del Toro. „Bovendien: als verhaal is atheïsme nogal waardeloos.”

Adam en Eva is een verhaal, de Big Bang niet meer dan een special effect. Bij schrijver Yann Martel draait alles om verhalen, leugentjes zo men wil. Alleen via verhalen begrijpen we de wereld, stelt zijn held Pi nogal postmodern vast. Een kleurrijk, hoopvol verhaal wint van een troosteloos verhaal. Atheïsme vindt Martel overigens ook een verhaal, maar eerder geschikt voor een weerbarstige arthousefilm. Slechts de agnost verdient ons aller minachting: hij verschuilt zich laf in stilte.

„Ik weet een verhaal waarvan u in God gaat geloven”, is de cruciale strofe van Life of Pi, Martels roman uit 2001. Een geblokkeerde schrijver hoort dat van een oude man, op wiens aanwijzing hij naar Toronto reist, waar de Indiër Piscine (Pi) Molitor Patel hem een fantastisch verhaal vertelt over de 227 dagen die hij in een reddingssloep doorbracht met een gewonde zebra, een orang-oetan, een hyena en een Bengaalse tijger genaamd Richard Parker.

De meeste critici zien in Life of Pi een pleidooi voor religie. Martel, die als backpacker in India spiritualiteit zocht en vond, versterkt die interpretatie volgaarne, net als de jury van de Man Booker Prize die Life of Pi in 2002 won. De jury prees het aan als roman „waarvan je in God gaat geloven of jezelf afvraagt waarom je dat niet doet”. Wie weet; maar Life of Pi doet dat met een postmodern argument zo wankel dat het religie eerder ondergraaft.

Kijkers en lezers identificeren zich uiteraard met de 16-jarige Piscine (Pi) Molitor Patel, die tegelijk christen, moslim én hindoe wil zijn, tot wanhoop van zijn atheïstische vader, een dierentuinhouder. Als het gezin hun menagerie op een Japans schip laadt – ze willen de dieren in Canada aan de man brengen – liggen associaties met de ark van Noach voor de hand.

Maar er is meer. Pi is het irrationele getal dat de ratio tussen (goddelijke) cirkel en (menselijke) lijn aangeeft. De naam van het vrachtschip, Tsimtsum, is een cruciaal begrip in het werk van de 16de-eeuwse joodse mysticus Isaac Luria, wiens oeuvre Pi later als student theologie bestudeert. Tsimtsum is een oplossing voor de kosmologische paradox: hoe kan er ruimte bestaan voor de schepping als God oneindig en eeuwig is? Tsimtsum zijn de handelingen waarmee God zich samentrekt in zichzelf om ruimte te maken. In deze ‘goddeloze’ leegte blijven echo’s van God achter, hints om te decoderen. Is het zinkende Japanse schip God die zich terugtrekt en zijn schepsel Pi op de proef stelt in een beestachtige overlevingsstrijd? Waarin Pi het primaat van de mens herstelt? Vast en zeker. Life of Pi is hoogst allegorisch: de tijger staat voor Pi’s woeste overlevingsdrang, een vleesetend eiland vol stokstaartjes is een parodie op de consumptiemaatschappij.

Maar het centrale conflict is tussen de twee verhalen die Pi vertelt: het religieuze en seculiere. Het ene is een sprookjesachtige beproeving met een tijger op zee, en Pi als inventief overlever, het andere gaat over vier schipbreukelingen die vervallen tot moord en kannibalisme. Als er verder niets op het spel staat, wat gelooft u dan, luidt Pi’s vraag. Dat cynische rotverhaal? Of dat hoopvolle, met die tijger? Dat laatste toch? „Zo is het ook met God.”

Dat reduceert geloof wel tot ordinaire wensvervulling. Want iedereen begrijpt dat het nare verhaal het ware verhaal is, en het tijgerverhaal traumaverwerking waarin Pi, wiens idealen sneuvelden toen het op overleven aankwam, zichzelf cast als held. Geloof verliest elke urgentie als het slechts een troostrijk sprookje is.

Pi is in het boek überhaupt een onbetrouwbaar verteller. Als kind verzint hij verhaaltjes om broer Ravi erbij te lappen; op school schudt deze showman een briljante truc uit de mouw om zijn klasgenoten zo te conditioneren dat ze hem voortaan Pi noemen in plaats van Piscine, wat iedereen verbastert tot ‘pissing’. Sowieso is hij een kanjer in conditioneren; vraag de tijger maar. Geef die man een sekte. Schrijver Yann Martel vindt het overigens niet erg dat Pi een fabulant is: religie en kunst komen beide voort uit de fantasie.

In de verfilming visualiseert Ang Lee het nare, ‘seculiere’ verhaal niet: anders was het geen familiefilm, maar horror. Toch is het knap hoe de ambivalentie van Life of Pi ook in zijn film doorschemert. Prachtig, die zee als gladde spiegel waarin goud omrande wolken weerkaatsen. Te mooi eigenlijk, als een bidprentje. Zo nodigt Ang Lee ons uit te geloven. En fluistert ons tegelijk hetzelfde in de oren als Pi’s atheïstische vader in het begin, bij een hindoeceremonie: „Religie is duisternis. Laat je door die lichtjes en kleuren niet misleiden.”

    • Coen van Zwol