Column

‘Beste meneer’

Over het trottoir van de Keizersgracht waar ik liep, kwam mij een man tegemoet gefietst.

Deze beginzin zal misschien verbazing wekken bij de mensen die zich niet dagelijks in de Amsterdamse binnenstad ophouden. Daar is fietsen op stoepen een zo langzamerhand stilzwijgend geaccepteerd verschijnsel geworden. Moet je snel een boodschap doen en is het makkelijker om de laatste twintig, dertig meter per fiets over de stoep af te leggen? Dan doe je dat toch even? Laat die maffe voetgangers, die zich veilig waanden, maar even schrikken. Toedeledokie!

De fietser, een nogal sjofel geklede veertiger met een royale kuif, naderde mij met forse pedaalslagen om enkele meters vóór mij plotseling te remmen en stil te houden. Hij stapte af, voerde zijn fiets half langs mij en vroeg op niet onvriendelijke toon: „Mag ik je enkele vragen stellen, beste meneer?”

Ik keek hem verbaasd aan en antwoordde zonder er ook maar een seconde over na te denken: „Néé!”

Zijn blik zocht de mijne en hij vroeg: „Nee?”

Ik knikte naar hem en zijn fiets en zei: „Nee, niet op deze manier.”

Toen liep ik door, terwijl ik nog even omkeek. Hij stond me verbluft na te kijken en ik meende hem te horen zeggen: „Fuck…”

Opmerkelijk, dacht ik, terwijl ik met een zeker gevoel van voldaanheid mijn weg vervolgde. Vijftien jaar geleden, toen ik nog niet zo lang in Amsterdam woonde, zou ik deze man welwillend aangehoord hebben. Wat zou hij van me willen, dacht ik dan. Geld vermoedelijk, misschien had hij op weg naar het smartelijke sterfbed van zijn moeder net gemerkt dat hij ‘twee eurootjes’ te kort kwam voor het treinkaartje. Of hij had het nodig voor zijn dochtertje dat met Sinterklaas toch ook recht had op een leuk presentje. Maar het kon ook dat hij me nader tot God wilde brengen. Hij had me zien lopen en had gedacht: die beste meneer is ook niet meer van de jongsten, als hij nú doneert, maken we boven nog een plaatsje voor hem vrij.

Wat is er met mij in die vijftien jaar gebeurd?

Ik ben straatslimmer geworden, denk ik, te vaak heb ik de klassieke smoezen moeten aanhoren. Het is ten koste gegaan van mijn ontvankelijkheid. Tegenwoordig schat ik mensen al in nog voor ze hun mond hebben opengedaan. De junk, de alcoholicus, de schizofreen, ze hebben geen geheimen meer voor me. Ze storen me alleen maar. Waarin? Nee, zulke diepe gedachten heb ik nou ook weer niet als ik over de Keizersgracht loop.

Misschien wakkert het leven in een drukke stad juist je behoefte aan privacy aan. Voor de rust kun je niet even uitwijken naar de natuur, want die is te ver weg. Hier, op die stoep, moet je ook rust kunnen vinden als je die nodig hebt. En al die toeristen dan die een beroep op je doen? Jij vindt het toch ook prettig om in het buitenland geholpen te worden?

Jawel, maar ze moeten niet denken dat je altijd voor ze klaarstaat. Neem dat Italiaanse meisje dat me op een brug toe snerpte: „Foto!” Ze bleef staan waar ze stond en wees op de vriendinnen om zich heen, terwijl ze een fototoestel omhoog stak. Ik haalde mijn schouders op en liep door.

Zo krijgen we een slechte naam in de wereld. Hollanders? Verwaande kerels, nog te beroerd om een vriendinnenfoto te maken.

Het jaar is bijna om, misschien moet ik me voornemen om weer een vriendelijke, gastvrije Amsterdammer te worden. Maar fietsers en scooterrijders op de stoep, jullie vooral – reken er niet te veel op.