Tam Kamerdebat over cultuur

In de vorige twee edities ging het er stevig aan toe, met een briesende oppositie, tierende gedoogpartner en een harde opstelling van coalitiepartijen en bewindspersoon. Dit keer verliep de behandeling van de cultuurbegroting in de Tweede Kamer rustig, bijna tam. De publieke belangstelling was laag, de Kamerleden bijna allemaal nieuw, de interrupties schaars en de begroting weinig controversieel – want zonder nieuwe miljoenenbezuinigingen.

Kamerlid Martin Bosma (PVV) probeerde het vuur wel aan te steken, met rituele aanvallen op de PvdA. Wat was die partij gedraaid, zei hij bij iedere kans die hij kreeg: van grote tegenstander van de bezuinigingen van het vorige kabinet tot de partij die deze bezuinigingen nu uitvoert, met een eigen minister op de post Cultuur, Jet Bussemaker. „De hypocrisie van links kent geen grenzen”, aldus Bosma.

Jasper van Dijk (SP), met Bosma het enige Kamerlid dat ook in de vorige kabinetsperiode over cultuur sprak, wilde niet zo ver gaan als Bosma. Hij noemde de PvdA niet hypocriet, maar „goedkoop”.

Jacques Monasch (PvdA) verdedigde zijn partij door te onderstrepen dat „een andere toon” belangrijk is. De minister, die gisteren voor het eerst een cultuurbegroting verdedigde, ging een stap verder. De bezuinigingen waren „politiek en juridisch afgerond” en het zou dus bestuurlijk verkeerd zijn die terug te draaien. Bovendien hadden ze ook voor „vernieuwingen” gezorgd. Bovendien was er een geefwet gekomen. Vera Bergkamp (D66) concludeerde: „De toon is anders, nu nog de inhoud”.

Daar wilden de Kamerleden gisteren graag bij helpen. Zo dwongen ze af dat de regering een ‘filmtop’ organiseert, om de concurrentiepositie van de Nederlandse filmindustrie te verbeteren. Verder probeerden ze de minister over te halen om minder te bezuinigen op drie rijksmusea, die de deuren voor het publiek dreigen te moeten sluiten. Alleen bij Rijksmuseum Twenthe lukte dat.

Verder waren er enkele slecht op elkaar afgestemde pogingen om het Metropole Orkest te redden. Bussemaker wilde er niet van horen. Ze vond het „bezwaarlijk” dat Kamerleden het orkest, dat voorheen geld kreeg uit de mediabegroting, wilden redden met middelen uit de cultuurbegroting. „Als u echt iets als Kamerlid voor de cultuur wilt doen, lijkt me dat niet de weg.”

De minister was wel warm te krijgen voor cultuureducatie. Ze had „goed geluisterd”, zei ze, naar het advies van de Raad voor Cultuur om het vak Culturele en Kunstzinnige Vorming te behouden als eindexamenvak in het voortgezet onderwijs. Ze zal hier nog eens goed over nadenken bij het doorlichten van het curriculum van het voortgezet onderwijs.

Cultuureducatie was, samen met talentontwikkeling en depotbeleid, een van de buzzwoorden van het debat. Iedereen is voor overheidsteun voor cultuureducatie, zelfs de VVD.

Maar juist bij de onderwerpen waar alle Kamerleden het eens leken, bleek uit kleine zinswendingen hoe diep de verdeeldheid is over de fundamenten van overheidssteun voor de kunsten. Neem Tamara Venrooy, de nieuwe cultuurspecialist van de VVD. Ze sprak gisteren maar liefst vier keer haar wens uit om culturele organisaties „onder het subsidiejuk” uit te halen. Opdat iedereen weer even weet waarom orkesten verdwijnen en musea de deuren dicht doen. In de ogen van de grootste coalitiepartij: om zichzelf te bevrijden.