Mijn wapen gebruiken? Alleen bij total anarchy

Amerikaan ‘Uncle Rob’, familie van redacteur Stijn Bronzwaer, heeft thuis een kluis vol wapens. Ze gaan samen schieten in Kansas.

De laatste dagen denk ik veel aan de oom van mijn vriendin. Uncle Rob uit Wichita, Kansas in de Amerikaanse Midwest. Vorig jaar, met Kerst, praatte ik een hele avond met Rob. Over zijn grootste hobby: wapens.

Rob heeft een gun safe. Een kluis onder zijn huis. Met shotguns, geweren en pistolen. Kansas heeft soepele wapenwetten: een wapen kopen mag, zichtbaar dragen ook. Op een gun show koop je er al één voor een paar honderd dollar.

Als Uncle Rob met de motor gaat, neemt hij soms zijn wapen mee, onder het zadel. Achterin zijn pick-up truck heeft hij een wapenhouder: een gun rack. Misschien dat Rob Dorsey nu als een redneck klinkt. Maar Uncle Rob is een geweldige vent. Gastvrij, vriendelijk en charmant. Zoals ik Amerikanen ken.

Ik wil zijn liefde voor wapens graag begrijpen, vertelde ik hem die avond. Waarom hij een kluis vol wapens heeft in hetzelfde huis waar zijn vier jaar oude kleindochter rondrent. Schieten op een schietclub, daar kan ik nog wel in komen. Maar waarom moet je in een brave stad als Wichita een compleet wapenarsenaal in huis hebben?

Uncle Rob begreep me niet. „Wat vind je zo eng aan wapens?” wilde hij weten. „Je kunt er iemand mee doodschieten”, zei ik. Maar dat gebeurt niet, volgens Uncle Rob, als je weet wat je doet.

Wat doe je, vroeg ik aan Rob, als je ziet dat er ergens wordt ingebroken? „De politie bellen.” En als ze bij jou inbreken? „De politie bellen.”

Wanneer zou hij zijn wapens gebruiken, buiten de schietclub om? „Als alles in puin ligt en ons huis wordt aangevallen”, zei Uncle Rob met een strak gezicht. „Bij total anarchy.”

Het tweede Amendement uit de Amerikaanse grondwet, in 1791 geschreven toen de VS zich losmaakten van Engeland, zegt het letterlijk: ‘A well regulated militia, being necessary to the security of a free state, the right of the people to keep and bear arms, shall not be infringed’. De overheid beschermt je niet, dat doe je zelf. Dat is de reden waarom Amerikanen zo familiegebonden en behulpzaam zijn: ze weten dat ze voor elkaar moeten zorgen. Dat is waar Uncle Rob in gelooft.

Op uitnodiging van Rob ging ik de volgende ochtend mee schieten, samen met zijn zoon Mike. Onderweg naar de Walmart om daar kogels en kleiduiven in te slaan, luisterend naar countrymuziek met naast me een tot de nok gevulde gun rack.

Vervolgens naar een afgelegen weiland, zoals je er zoveel in Kansas hebt. Het eerste pistool dat Uncle Rob me gaf, pakte ik met trillende handen vast. Een uur later schoot ik vol zelfvertrouwen met een shotgun kleiduiven in stukken. Gek hoe snel je aan een wapen went.

„Gaat het nooit mis?” vroeg ik. Vaak genoeg, vertelde Rob. Laatst nog, toen een schutter de schietschijf niet voor een berg houtblokken opstelde, zoals het hoort. Honderd meter verderop werd iemand geraakt. Verdwaalde kogels, het gebeurt vaker in Kansas.

De beste vriend van Mike ging ooit met een groep vrienden de buurt in, met de auto. Ze hingen uit het raam en sloegen, met een honkbalknuppel, brievenbussen kapot.

Er kwam een man naar buiten, met een shotgun. Hij achtervolgde hen en schoot op de auto. Mikes vriend werd geraakt. Een kogel door zijn hoofd. Op de dag dat wij gingen schieten, was het net tien jaar geleden gebeurd.

Ondanks dat het zo dichtbij komt geven Rob en Mike hun wapens nooit de schuld. Gekken heb je altijd. De vraag is: wie gaat je tegen hen beschermen?