Het kabinet wil dat er wordt opgeschaald

Het regeerakkoord van VVD en PvdA is duidelijk: er moeten meer grotere gemeenten komen. Slecht plan, vindt de oppositie. „Hier zit totaal geen visie achter.”

Politiek redacteur

Den Haag. Groot of klein, het maakt amper uit. Als burgers een rapportcijfer moeten geven over de kwaliteit van hun bestuur, krijgen álle gemeenten slechts een krappe zes. De kleinste gemeenten, van 20.000 inwoners of minder, krijgen een 6,05 gemiddeld. De grootste, van 100.000 inwoners of meer, scoren 6,06 gemiddeld.

Deze cijfers komen uit onderzoek van hoogleraar regionaal bestuur Marcel Boogers, van de Universiteit van Twente. Hij onderzocht waar burgers precies naar kijken als ze hun gemeentebestuur moeten beoordelen. En ondanks zijn onderzoeksresultaten zal de politieke discussie vandaag toch over de grootte van gemeenten gaan: moeten gemeenten opschalen, zodat ze alle taken beter kunnen uitvoeren die dit kabinet naar ze toeschuift? Of moeten ze juist kleiner blijven, en daarmee beter voeling houden met hun inwoners?

Het tweede kabinet-Rutte is vóór opschaling van gemeenten. Schaalvoordelen en minder dubbele taken zouden miljoenen euro’s moeten opleveren. Voor 2015 gaat het kabinet uit van een bezuiniging van 60 miljoen euro op ‘apparaatskosten van gemeenten’. In 2016 is dat verdubbeld tot 120 miljoen euro, en in 2017 moeten gemeentelijke samenwerkingen 180 miljoen euro schelen. In 2017, aan het einde van dit kabinet, zou Nederland 75 minder gemeenten moeten hebben dan de huidige 415.

Na boze reacties van onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten werd al gauw na de presentatie van het regeerakkoord bekend dat minister van Binnenlandse Zaken Ronald Plasterk (PvdA) de gemeenten niet zal dwíngen om te fuseren. Maar de grote hoeveelheid extra taken die gemeenten krijgen, zal ze vanzelf de samenwerking laten opzoeken, zei hij wel. Jeugdzorg, langdurige zorg, sociale werkvoorziening; gemeenten moeten het allemaal zelf gaan regelen. Dus moeten ze wel opschalen.

En dat is precies verkeerd om geredeneerd, vinden tegenstanders van de afspraken uit het regeerakkoord. „Hier zit totaal geen visie achter”, zegt Tweede Kamerlid Madeleine van Toorenburg (CDA). Als het kabinet nou zou herindelen omdat het vindt dat dat bestuurlijk beter zou zijn, à la, zegt zij. „Maar het is volgens mij zo gegaan: we hevelen taken over naar de gemeenten, en geven er flink minder geld voor dan het Rijk ervoor had. Oh, die gemeenten kunnen het niet aan? Nou, dan moeten we afspreken dat ze groter worden.”

Zo’n semigedwongen manier van opschaling gaat voorbij aan „de burger die niet alleen maar klant is van de overheid”, zoals Van Toorenburg het zegt. „Dit is miskenning van historisch gevoel dat in een gemeenschap leeft.”

Alsof de overheid inmiddels niet genoeg verkeerde voorbeelden heeft gehad van schaalvergroting, zegt Ronald van Raak, Tweede Kamerlid van de SP. In het onderwijs en in de gezondheidszorg bleek opschalen ook niet te werken. „Waarom moet het hier dan weer groter, groter, groter? We moeten niet herindelen, maar de menselijke maat terugvinden.”

Van Raak wil minister Plasterk ook spreken over zijn visie op wat democratie eigenlijk is. Want, zegt hij, wie is nou eigenlijk nog verantwoordelijk voor burgers, als het Rijk ervoor kiest om alle zorgtaken naar gemeenten over te hevelen, en vervolgens het grootste deel van die gemeenten ook nog in elkaar op te laten gaan? „Mensen zien nu de gemeenteraad nog als politieke vertaling van hun zorgen en wensen. Dat is goed voor de gemeenschapszin.”

Na een fusie neemt de afstand tussen burgers en bestuur iets toe, blijkt uit onderzoek van de universiteit Groningen uit 2008, maar dat effect is bij de raadsverkiezingen vier jaar later weer verdwenen.

Wanneer heeft een dorp of stad dan die ‘eigenheid’, waar politici over spreken, weten te behouden? Is dat wanneer het mogelijk is om op de fiets aangifte te doen van een baby? Is dat wanneer je met je klachten in een eigen gemeentehuis op vijf minuten lopen terechtkunt, of als een ambtenaar telefonisch wél deskundig adequaat advies weet te geven?

Volgens het onderzoek van hoogleraar Boogers, uit juli dit jaar, doen vooral buurtgerichtheid, kwaliteit van de leefomgeving en ‘responsiviteit’ ertoe, bij de beoordeling van burgers over hun gemeente. Kortom: als de gemeente maar aandacht heeft voor veiligheid en leefbaarheid in de buurt. Als de wegen maar goed zijn, en de parkeergelegenheid ruim. En de belangrijkste eis: de gemeente moet klachten van haar burgers serieus nemen – of de gemeente nou groot is of klein.

Dus voor de tevredenheid van haar inwoners doet de grootte van een gemeente er amper toe. De ideale schaalgrootte bestaat niet.

    • Annemarie Kas