Gouden tand

De jongen zegt ons grijnzend gedag, waarna we alleen maar in zijn mond kunnen staren: vier blinkende gouden tanden, twee hoektanden volledig bedekt, de twee voortanden een halve streep goud over het wit heen geschoven. Zijn mond lijkt op een exotisch en louche souvenirwinkeltje, een en al goud en ivoor. Natuurlijk kunnen wij er ook

De jongen zegt ons grijnzend gedag, waarna we alleen maar in zijn mond kunnen staren: vier blinkende gouden tanden, twee hoektanden volledig bedekt, de twee voortanden een halve streep goud over het wit heen geschoven. Zijn mond lijkt op een exotisch en louche souvenirwinkeltje, een en al goud en ivoor. Natuurlijk kunnen wij er ook een krijgen, zegt hij, in Ghana hebben zoveel mensen een gouden tand.

De goede tand moet wijken voor de gouden tand. Dit lijkt me een behoorlijk slecht idee

Met verlangende, goudkoortsige ogen blijft Jan naar het gebit kijken. „Ik ga er eerst over nadenken”, maant hij zichzelf tot orde. De dagen daarna proberen we in te schatten hoe van de pot gerukt dit plan is. Aan de ene kant: visioenen van roestig gereedschap en bloedend tandvlees, de zinnen ‘je moet niet rommelen met gezonde tanden’, ‘op het internet wordt er gezegd dat je er chronische kaakkramp van kan krijgen’ en ook: ‘als je het echt wilt, moet je zoiets toch niet in Afrika laten doen’. Aan de andere kant: waarom eigenlijk niet? Ze doen het hier vaker dus ze zullen er wel goed in zijn, bovendien is het niet een bushbushbloedtransfusie die slechts met een olielampje wordt bijgeschenen – de inwoners van Kumasi willen vast ook gewoon hygiënisch tandartsgereedschap. Een ander zwaarwegend argument van Jans kant is: MIJN GOD EEN GOUDEN TAND IK WIL HET, dus een week later zijn we terug bij de jongen met het goud in de mond.

De tandarts blijkt te huizen in een minuscuul hokje dat haast overstroomt: op alle planken liggen stapels kranten, potjes, pennen, een plastic schedel, op het enige tafeltje liggen verschillende gipsen gebitten. Er is één krukje, waar Jan op plaatsneemt terwijl de tandarts – een vrolijke, middelbare man met een gouden ondertand – met zijn blote vingers een met gips gevulde mal om Jans boventanden duwt en die daar houdt, zodat Jan met zijn opengesperde mond rond de gekromde vinger van de tandarts eruitziet als een gevangen vis aan een haakje. De dag daarna wordt zijn nieuwe, halve gouden voortand geplaatst. Dit keer in de wachtruimte: een man smeert de tand kwistig in met lijm, schuift het goud over het wit en drukt stevig aan. Ik lijd aan tandartsenvrees en krimp ineen, maar Jan vindt het prima – tot de tand zit. Ongerust zegt hij: „Ik krijg mijn mond niet meer goed dicht.” Geen nood, de oplossing is nabij: met een soort slijpapparaat begint de tandarts Jans ondertand te bewerken – de goede tand moet wijken voor de gouden tand. Dit lijkt me een behoorlijk slecht idee, maar de tandarts is al klaar en verzekert Jan dat het gewoon wennen is.

Die avond probeert Jan te eten. Brood gaat net, maar rijstkorrels blijken te klein om nog te kunnen vermalen. Na twee dagen ligt hij gefrustreerd wakker en trekt uiteindelijk zelf zijn tand eraf – een plan gemaakt van klatergoud.

De volgende dag schuift hij voor de spiegel wat heen en weer met de gouden huls – en ontdekt dan dat het goud op de verkeerde tand is gezet. Op de andere tand kan zijn mond wél gewoon dicht. „Misschien laat ik ’m opnieuw erop lijmen”, zegt hij, blij dat zijn gouden lach weer een mogelijkheid is, blij dat je heus wel een gouden tand kunt laten zetten in Ghana – via een kleine omweg, weliswaar.