Een ziekenhuis vinden, binnen 24 uur na de beet

An Indian street dog carries a pigeon on the road in Hyderabad on November 26, 2012. Stray dogs are a common sight throughout India, feared by many because of the prevalence of rabies and viewed as a pest for their nocturnal barking. AFP PHOTO / Noah SEELAM AFP

Half vijf ’s ochtends. Twee piepen van mijn telefoon maken me wakker. Een sms: ‘Je bent gevaccineerd voor difterie, polio, tetanus en hepatitis A. Hoezo eigenlijk? Alles wel goed met je?’

Een hond beet gisteravond in mijn linkerkuit. Sindsdien denk ik aan de Nederlandse arts die in Kenia werd gekrabd door een vleermuis. Niet veel later overleed ze aan hondsdolheid.

Ik zit in Ban Kong Lor, een piepklein dorp op het platteland van Laos. Het is niet veel meer dan een verharde weg met wat huisjes van bamboe en golfplaat. Internet, om op te zoeken hoe het ook weer precies zit met hondsdolheid, is er niet. Dan maar een sms naar een vriend in Nederland: ‘Kun jij opzoeken welke vaccinaties ik voor vertrek heb gehaald?’

Hondsdolheid is uiterst dodelijk. De veroorzaker, het rabiësvirus, wordt door een krab of beet van een besmet dier overgedragen op de mens. In het lichaam baant het virus zich via de perifere zenuwen een weg naar de hersenen. Wanneer het daar is aangekomen ontwikkelt de ziekte zich en ontstaan symptomen zoals heftige krampen in de mond en hals. Behandeling is dan niet meer mogelijk – de patiënt komt te overlijden. Er is dus alles aan gelegen om dit voor te blijven en je zo snel mogelijk, liefst binnen 24 uur na een mogelijke besmetting, te laten behandelen.

Het is zeven uur na de beet, nog achttien uur om een ziekenhuis te vinden. In de binnenlanden van Laos, één van de armste landen van Zuidoost-Azië, is dat niet eenvoudig. De plaats waar ik naartoe moet lijkt me de hoofdstad: Vientiane. Als het meezit, kan ik daar in tien uur zijn.

Voor mijn hostel staat een jeeptaxi op punt van vertrek. Ik prop mijn bagage in mijn rugzak en stap in.

Gaandeweg stroomt de jeep vol: zeven Laotianen, autobanden, balen hooi, zowel dood als levend pluimvee en jerrycans met benzine, heel veel jerrycans met benzine. „Sir, yes, please?” vraagt iemand bij het instappen als hij me een tank brandstof aangeeft om op schoot te houden.

Ik moet twee keer overstappen. Twee keer word ik afgezet op verlaten, voor mijn gevoel volstrekt willekeurige kruispunten. Maar twee keer is het eerst tegemoetkomende voertuig het busje dat ik moet hebben. In een recordtijd van zeven uur sta ik op het busstation van Vientiane. De beet is dan veertien uur geleden.

Vientiane ligt op de grens met Thailand. In mijn reisgids wordt gewaarschuwd voor de slechte gezondheidszorg van Laos. Die van Thailand staat stukken beter te boek. Ik besluit de grens over te gaan.

Anderhalf uur later sta ik in Nong Khai, een kleine stad in Noordoost- Thailand. Een taxichauffeur zet me af bij een ziekenhuis, volgens hem het beste en duurste van de stad. Gescheurd beton, oranje dekzeil en afzethekken voor de ingang voorspellen niet veel goeds. Van binnen is het erger. Van een ‘binnen’ blijkt namelijk nauwelijks sprake. Bedden staan met patiënt en al buiten geparkeerd. Had ik in Laos moeten blijven?

De afdeling eerste hulp: medische benodigdheden komen tevoorschijn uit kastjes met afbladderende verf. Het hang- en sluitwerk hangt, maar sluit nergens écht lekker. Een arts neemt me onder zijn hoede. Hij oogt niet ouder dan zestien. „Dog bite yes?”

Even later verdwijnen zes naalden in de wonden van mijn kuit. Er worden antistoffen geïnjecteerd om het virus lokaal te lijf te gaan. Om mijn immuunsysteem aan te wakkeren wordt een vaccin in mijn linkerschouder gespoten. Als laatste wordt een spuit antistoffen in mijn heup gezet. Dit voor het geval het virus al aan de tocht naar mijn hersenen is begonnen. Het is dan zeventien uur na de beet.

De vaccinatie moet de komende weken nog vier keer worden herhaald. Ik krijg een schema mee.

Een week later zit ik in een wit, glimmend westers ziekenhuis in Bangkok voor een vervolgvaccinatie. Ik vraag naar de kans dat ik nu nog ziek word. „Zo goed als nul”, zegt de arts. Een behandeling met vaccinaties én antistoffen voordat symptomen zich openbaren, binnen 24 uur na de beet, schakelt in vrijwel alle gevallen het rabiësvirus definitief uit.

Of de hond me daadwerkelijk heeft besmet, zal ik nooit weten. Er bestaan tests om rabiës aan te tonen bij mensen. Deze zoeken in het bloed of slijm, naar antistoffen voor het virus. Ik zal hierop positief testen. Maar van de gevonden antistoffen valt niet te zeggen of mijn lichaam ze aanmaakte in reactie op het virus, of dat ze van de behandeling afkomstig zijn.