Brieven & Tweets

Die postbezorgers vallen gewoon onder onze cao

FNV-bestuurders Mariette Patijn, Mieke van Veldhuizen en Marian Beldsnijder betogen dat het aan de onderkant van de arbeidsmarkt ‘een ratjetoe’ is (Opinie, 13 december). Minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA) zou werknemers aan de onderkant van de Nederlandse arbeidsmarkt beter moeten beschermen. Hiertoe hebben de auteurs hem een brandbrief overhandigd.

De bestuurders schrijven dat gewone banen vervangen worden door „wat we niet anders kunnen noemen dan pulpbanen – werk zonder zekerheid, pensioenopbouw, fatsoenlijke betaling, cao’s en gewone werknemersbescherming als doorbetalen bij ziekte” en stellen dat de keuzes van werkgevers uitsluitend gericht zijn op het concurreren op arbeidsvoorwaarden. Dit zou gaande zijn in diverse sectoren, waaronder de postmarkt. „Postbodes zijn massaal vervangen door goedkope postbezorgers. Zij gingen in kleine banen aan de slag als ‘zelfstandige’. PostNL heeft met de fiscus zelfs een deal gesloten waarbij het bedrijf zich vrijwaart voor optreden tegen schijnzelfstandigheid. Deze deal wordt angstvallig geheim gehouden voor het parlement.”

Ook zeggen de bestuurders: „Zelfstandigen krijgen een euro per bezorgadres en moeten twee keer zoveel bezorgen – tweehonderd stops per dag! – als werknemers in loondienst om een schamel inkomen te verdienen.”

Dit is feitelijk onjuist. Postbezorgers zijn in dienst bij PostNL en niet aan de slag als zzp’ers – ze vallen onder de cao van PostNL. Ook de betaling van zelfstandigen is niet correct. Hier is niet sprake van één euro per bezorgadres.

Werner van Bastelaar

Manager Media Relations PostNL

Kijk ook eens naar dat gepest van Paul de Leeuw

Voor pesten was vorige week heel veel aandacht, waaronder een erg goed artikel van redacteur Elsje Jorritsma (NRC Handelsblad, 14 december). De publieke verontwaardiging is groot. De vicepremier roept op om niet weg te kijken. Scholen worden opgeroepen nog eens te kijken naar hun protocol en beleid.

Dit is allemaal terecht. Wat ik in al deze analyses mis, is de invloed van andere publieke uitingen op het gedrag van kinderen en jongeren. Voor mij is de metafoor van pesten bij uitstek onze nationale knuffelbeer Paul de Leeuw. Terwijl het hele gezin op zaterdagavond op de bank zit te kijken, zet hij de ene na de andere gast vilein voor schut. De meute lacht. „Ha overgangskutje”, verwelkomt hij een vrouw van middelbare leeftijd in de studio.

Laten we bij de discussie over pesten ook omgangsvormen meenemen zoals die breed uitgedragen worden op de radio, tv en in de politiek. Dit zijn omgangsvormen volgens het ‘Amsterdamse model’ – je moet bijna overdreven assertief zijn om hiermee te kunnen omgaan. Dit is de meesten van ons, en zeker van onze kinderen, niet gegeven.

Bob van Eerd

Kinderpsycholoog/psychotherapeut, Voorschoten

Werden die zelfmoorden veroorzaakt door pesten?

De zelfmoord van enkele jongeren heeft de laatste weken veel aandacht gekregen in de pers. Steeds zou ‘pesten’ in het geding zijn.

Zelfs op het niveau van de regering werd hierover gesproken, onder meer in het vrijdagse ‘gesprek met de minister president’ – de vicepresident, in dit geval – op de televisie.

Niemand lijkt zich te (willen?) afvragen waaruit dat pesten dan bestond en of de betrokkenen daar werkelijk het voorwerp van waren. Of het nu een zelfbenoemde ‘pestdeskundige’ psycholoog of een minister betreft, laat staan een journalist – niemand wenst dat pesten te specificeren of duidelijk te maken waarom de slachtoffers zodanig het lijdend voorwerp ervan waren dat zelfmoord de enige uitweg was. Niemand ook lijkt zich af te vragen of er sprake kan zijn geweest van de psychiatrische problemen die op de puberleeftijd en op die van jonge adolescenten nog wel eens willen voorkomen.

Ik zou willen dat er boven elke deur van elke redactie in Nederland het opschrift zou staan: ‘is dat wel zo?’

Wim Ettema

Amsterdam

Discussieer liever over borstkankerpreventie

In NRC Handelsblad (11 december) werd een debat gevoerd over een minimumaantal borstkankeroperaties dat een ziekenhuis moet uitvoeren. Dit is nodig om patiënten te verzekeren van goede zorg.

Ik verbaas me als borstkankerpatiënt elke keer weer over het feit dat in een land dat een van de hoogste – en nog steeds stijgende – percentages aan borstkanker in Europa toont, zo weinig gediscussieerd wordt over preventie en dat er ook zo weinig aan gedaan wordt.

Wellicht kan mijn eigen ervaring over het tekortschieten aan preventie toekomstige slachtoffers aanleiding geven tot reflectie en actie. In een van de meest vooraanstaande ziekenhuizen van Nederland is een pretumorale aandoening in mijn borst, waarvan de aard „onzeker” was, twee jaar lang „in de gaten” gehouden (dus laten zitten), totdat ze zich ontwikkelde tot een echt carcinoom. Deze gang van zaken heeft naar ik weet ook andere slachtoffers gemaakt en werd gekenmerkt als „verbijsterend” door een van de bekendste borstoncologen in Europa, bij wie ik langs ben geweest voor een second opinion. De directie van het ziekenhuis „denkt er niet over” om de protocollen hierover te wijzigen.

Voor wat betreft de discussie over de minimumnorm is in hetzelfde ziekenhuis, waar jaarlijks een groot aantal operaties wordt uitgevoerd, een borstsparende operatie bij mij niet naar behoren uitgevoerd. Een tweede ingreep was nodig.

Het aantal operaties is kennelijk geen garantie voor welslagen.

Maria Beatrice Annis

Amsterdam

De soldaten van Napeleon staan bekend als

grognards

In het stukje-met-recept over Napoleons vissaus worden ’s keizers soldaten poilus genoemd, oftewel ‘de behaarden’ (NRC Handelsblad, 11 december). De term ‘poilu’ is vooral bekend als koosnaam voor de vervuilde Franse loopgraafsoldaat uit de Eerste Wereldoorlog. De bekendste bijnaam van Napoleons soldaten en meer speciaal van zijn Oude Garde was grognard, of mopperaar.

Mopperaars waren doorgaans verre van vies; ze waren gestoken in een prachtig uniform, getooid met een imposante berenmuts, en voorzien van een martiale snor. Bij zowel poilus als grognards was het gevaar van een haar in de saus dus niet denkbeeldig.

Ruud van Enk

Brussel

Ze halen Loevestein leeg!

Columnist Christiaan Weijts stelt dat er niets verloren gaat met het verdwijnen van de museale functie van Slot Loevestein (NRC Handelsblad, 11 december). Gemakzuchtig neemt hij de conclusies over van het rapport van de Raad van Cultuur. Volgens de Raad is de archeologische collectie „locatiegebonden” en niet van nationaal belang. Er zijn geen „toppers” als ‘Gordon’, het bekende Romeinse masker.

Kijk naar het kasteel zelf: de individuele bakstenen in de muren van Loevestein zijn niet bijzonder, maar het gebouw als geheel heeft grote waarde. De archeologische collectie heeft vooral waarde op Loevestein zelf. Alle getoonde voorwerpen zijn ooit op Loevestein gebruikt, door slotvoogden, soldaten, gevangenen en andere bewoners. Zoals die tinnen pispot met een kogelgat, die misschien is beschoten door een soldaat. Tegenwoordig zou je op een blikje schieten. De vondsten vertellen het verhaal. Alleen de kist van Hugo is nep!

Op Loevestein worden nog uitgebreide, nieuwe presentaties ingericht. We kunnen daarom spreken van kapitaalvernietiging. Weijts stelt ten onrechte dat er geen ontwikkeling is. Sinds 2004 hebben de conservator, professionele partijen en een groep vrijwilligers daar hard aan gewerkt.

Loevestein heeft als enige kasteel in Nederland een uitgebreide, permanente en educatieve expositie van archeologische objecten. Deze collectie hoort op die plaats en dient ter ondersteuning van het verhaal. Daar heeft het publiek recht op. Zonder deze museale benadering is Loevestein een leeg kasteel – net zo leeg als de argumenten van de Raad van Cultuur.

Haro van Galen

Lid van de Werkgroep Loevesteyn, Eindhoven