Afspraak is afspraak?

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: subsidiebaantjes.

Ze had een simpel baantje bij het Haagse vervoersbedrijf HTM. In 2000 was zij vanuit de bijstand ingestroomd via een regeling om langdurig werklozen aan het werk te helpen. Maar haar ontslag, in 2004 aangezegd door HTM, had juridisch behoorlijk wat voeten in de aarde. Eerst kwam de kantonrechter eraan te pas, vervolgens het Gerechtshof en uiteindelijk, vorige maand, zelfs de Hoge Raad. Centraal in al die procedures stond de vraag of een werkgever iemand mag ontslaan als de subsidie, in dit geval die voor tewerkstellig van langdurig werklozen, vervalt en de werkgever daarna zelf opdraait voor de loonkosten.

Ja, vond de HTM; het wegvallen van die subsidie was een ‘ontbindende voorwaarde’ voor de vaste aanstelling van de vrouw. Nee, zei het Centrum voor Werk en Inkomen, de voorloper van de UWV. De werkgever had te weinig gedaan om haar na dat subsidiebaantje aan ander werk te helpen. Jawel, vond de kantonrechter, het ging om een baan die kon bestaan dankzij die subsidie. De ontbindende voorwaarde was, na afschaffing ervan, wel degelijk van kracht. Waarop het Gerechtshof oordeelde dat de subsidie weliswaar was vervallen, maar haar functie niet. Ze had dus niet zomaar ontslagen mogen worden.

Vorige maand had de Hoge Raad het laatste woord (NJB 2012). Als een werkgever een werkloze aan werk helpt, mag dat voor die werkgever geen nadelige consequenties hebben als die subsidie wordt afgeschaft, zelfs als het indertijd een vaste aanstelling betrof.

Jurisprudentie over ontbindende ontslagvoorwaarden is niet eenduidig. In een zaak waarbij een werknemer ontslag was aangezegd wegens bedrijfsbeëindiging oordeelde de Hoge Raad anders. Ook daar was als ontbindende voorwaarde van de aanstelling bedrijfsbeëindiging vastgelegd. Maar omdat de datum van die bedrijfsbeëindiging vertraging opliep, vocht de man zijn ontslag aan. Volgens de Hoge Raad had de werkgever voor dat ontslag toestemming moeten vragen aan de regionaal directeur voor de arbeidsvoorziening. Ook een medewerker van de voetbalclub Sparta kon niet zomaar ontslagen worden, ondanks de onderlinge afspraak dat hij zou opstappen als de club er in twee jaar tijd niet in zou slagen naar de eredivisie te promoveren. Ontslag mocht alleen als een onafhankelijke partij daarover geoordeeld had.

De zaak van de HTM-medewerkster geeft ook aan hoeveel juridische procedures er met een individuele ontslagzaak gemoeid kunnen zijn. Dat zullen er met de door het kabinet voorgestelde versoepeling van het ontslagrecht niet minder worden, zo verwachten rechters zelf. Zeker als de preventieve ontslagtoets door het UWV wordt afgeschaft. ‘Dat is nu nog een dam om lichtvaardig ontslag te voorkomen’, stelt de Raad voor de Rechtspraak in een vorige maand gepubliceerd advies aan minister Asscher (Sociale Zaken, PvdA).

Niet alleen zal het aantal conflicten tussen werkgevers en personeel daardoor toenemen, ook de specifieke kennis die het UWV nu in huis heeft bij het beoordelen van die ontslagtoetsen, verdwijnt. Met als gevolg dat rechters steeds vaker externe deskundigen moeten inschakelen om bijvoorbeeld de bedrijfseconomische noodzaak van reorganisaties te toetsen.

Aan afschaffing van die UWV-toets hangt een prijskaartje, zo heeft de raad Asscher voorgerekend. Alleen al de extra zaken die kantonrechters straks voorgelegd krijgen, gaan zo’n 20 miljoen euro extra per jaar kosten. Het is alleen de vraag of Asscher van die kostenpost schrikt. Zijn ministerie financiert de rechtspraak niet. Dat doet minister Opstelten van Justitie.