Who cares?

Vandaag bespreekt de Tweede Kamer hoe 1 miljard te bezuinigen op ontwikkelingshulp. Korten op de armsten is geen taboe meer. Zelfs niet voor de PvdA.

Tanzania, Rulenge, 25 januari 2005. Klas 2b van de Rulenge Primary School poseert. Foto: Bart Eijgenhuijsen / Hollandse Hoogte Bart Eijgenhuijsen/Hollandse H>

Nul. Nul boze e-mails kreeg PvdA-leider Diederik Samsom naar eigen zeggen over het voornemen van de nieuwe VVD- PvdA-coalitie om de komende jaren nog eens 1 miljard euro op ontwikkelingshulp te korten.

Wel veel boze reacties over de hogere zorgpremies en de versoepeling van het ontslagrecht, maar over de vermindering van steun aan de allerarmsten? Niets. Er blijft nog 3,5 miljard over: een bezuiniging waardoor Nederland onder de 0,6 procent van het bruto binnenlands product komt. Dat is ruim onder de internationaal afgesproken – maar weinig nageleefde – norm van 0,7 procent.

Het kan verkeren. Ooit was hulp aan de Derde Wereld de lakmoesproef voor een goed links geweten, nu is het een rimpelloze bezuinigingspost geworden. Maar wie kan het wat schelen? Als er in eigen land gesneden dreigt te worden op bijna alles, is het hemd nader dan de rok. Temeer als ontwikkelingshulp door verhalen over mislukte projecten en zelfverrijking steeds meer ter discussie is komen te staan.

Vandaag debatteert de Tweede Kamer met de nieuwe minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen (PvdA) over de begroting en de toekomstplannen. Van de kant van de PvdA worden de bezuinigingen met de nodige pijn in het hart besproken. „Een steen op de maag”, noemde PvdA-leider Samsom ze al. Maar de plannen gaan wel door. De partij heeft er nu eenmaal voor getekend. Omdat er zoveel goede dingen op andere terreinen voor terugkomen, zo is de redenering.

De partij kón er ook voor tekenen omdat het nut van ontwikkelingssamenwerking ook voor links geen vanzelfsprekendheid meer is. De PvdA beloofde in haar verkiezingsprogramma van dit jaar nog dat de 0,7 procentnorm gehandhaafd moest blijven. Tweede Kamerlid Sjoera Dikkers noemde de bezuinigingen van het vorige kabinet op ontwikkelingshulp „beschamend” en „kwartetten met de allerarmsten”. Maar ondertussen nam ook bij de PvdA het ongemak toe.

Er is veel gebeurd sinds in 1973 Jan Pronk als eerste PvdA-minister voor ontwikkelingssamenwerking aantrad. Ontgoocheling vooral. Ontwikkelingshulp was dankzij de combinatie van de door het CDA uitgedragen christelijke naastenliefde en de door de PvdA bepleite internationale solidariteit lange tijd onaantastbaar. Maar langzaam is de twijfel aan de goede bedoelingen erin geslopen.

Langzaam kwamen de vragen. Leidde hulp van rijke landen niet tot het in stand houden van scheve situaties in ontwikkelingslanden? Waarbij werd verwezen naar de succesverhalen van landen in Azië en Zuid-Amerika. Landen die indrukwekkende groeicijfers lieten zien, zonder klassieke ontwikkelingshulp.

Vijf jaar geleden probeerde de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de partij, met een rapport een fundamentele discussie op te zetten over ontwikkelingshulp. Maar het kwam er niet van, tot ergernis van adjunct-directeur Frans Becker. Door alle mitsen en maren die op voorhand bij het rapport werden geplaatst, is het nooit geschreven. Terwijl herbezinning volgens Becker zo noodzakelijk was. Want binnen de PvdA werd nog veel te gemakkelijk gezegd dat „hulp allemaal oké” was.

In de persoon van Bert Koenders leverde de partij in die jaren de minister voor Ontwikkelingssamenwerking. Conform het idee ‘de aanval is de beste verdediging’ probeerde hij de critici voor te zijn. „De hulpindustrie, die te veel op zichzelf is gericht, moet worden opengebroken”, zei hij in 2008.

De norm – toen nog 0,8 procent van het bruto nationaal product – stond voor hem niet ter discussie. Koenders: „Afspraak is afspraak en dan gaat het om moraliteit.” Maar in de wereld van de Derde Wereld-hulpverlening zag men de bui al hangen.

Zo was er het uiterst actieve en polemische Tweede Kamerlid Arend-Jan Boekestijn van de VVD. Sinds hij eind 2006 in het parlement werd gekozen, voerde hij een kruistocht tegen de kritiekloze wijze waarop in Nederland over ontwikkelingshulp gesproken werd. En passant stelde hij forse bezuinigingen voor. Dat was destijds voor zijn eigen VVD nog lang geen uitgemaakte zaak. Pas in het verkiezingsprogramma van 2010 werd dit voor het eerst voorgesteld. Het was direct een forse snoeioperatie: de uitgaven konden gehalveerd worden.

Intussen was begin 2010 ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid met een rapport over ontwikkelingssamenwerking gekomen. Het rekende af met het ‘heilig geloof’ in hulp, al was het maar omdat buitenlandse investeerders en emigranten voor veel grotere geldstromen zorgden. ‘Minder pretentie, meer ambitie’, luidde de veelzeggende titel. Kernboodschap van de WRR: minder fixeren op het percentage dat met hulp gemoeid is en meer kijken naar effectiviteit.

Het vorige kabinet, van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV, nam de aanbevelingen van de WRR voor een belangrijk deel over. Zo werd in lijn met het advies het aantal landen waarmee Nederland een ontwikkelingsrelatie onderhield teruggebracht van 33 naar 15. En er werd, net als nu, voor 1 miljard euro op de begroting van toen nog ruim 5,5 miljard bezuinigd. Van groot verzet was geen sprake.

Helpt hulp of niet? De al decennia oude vraag is de afgelopen jaren internationaal, maar ook zeker in Nederland, steeds pregnanter gesteld. Daarmee is ontwikkelingshulp steeds minder een taboeonderwerp geworden.

De PvdA-achterban berust. Nul boze e-mails. En zelfs Jan Pronk, nog altijd de verpersoonlijking van hulp aan de Derde Wereld, geeft tegenwoordig als antwoord op deze vraag: „De waarheid ligt in het midden”.