Vlinders in december

Het Groene Woud, tien natuurgebieden in het hart van Brabant, is rijk aan vlinders. Nu zijn alleen de Kleine en Grote Wintervlinders nog in touw. Andere drijven bij honderden in sloten en plassen.

Argusvlinder

Vlinders kijken kan ook in december. Loop maar mee met Joep Steur (46), erkend vlinderaar uit het Brabantse Heeswijk-Dinther. Sinds 1980 documenteerde en fotografeerde hij bijna 900 vlindersoorten in het Groene Woud, een naam die associaties oproept met jeugdboeken van Tonke Dragt. Tien natuurgebieden tussen Den Bosch, Eindhoven en Tilburg heten samen het Groene Woud.

Samen met journalist Hans Horsten schreef Steur een fleurig boek over het Woud en zijn vluchtige fladderaars. Elk hoofdstuk is als een wandeling door een van de natuurgebieden. Wat groeit er? Welke vlinders leven er? Waar kun je ze aan herkennen? Wist u dat het koevinkje traag en huppelend vlak boven de grond vliegt en, anders dan de meeste andere dagvlinders, regen niet schuwt?

Je kunt in het Groene Woud zelfs op safari. Met de ogen jagen op vlindersoorten als de Witte en Gele Tijger, de Grote en Kleine Beer, de Dromedaris, de Hyena en de Papegaai.

Voor een winterwandeling neemt Steur ons mee naar het natuurgebied De Prekers, een populierrijk leembos bij Schijndel, ooit eigendom van een Dominicaner kloosterorde in Den Bosch. Volgens onze gids „het meest intieme, sprookjesachtige deel van het Groene Woud”. Zijn lievelingsgebied. Misschien ook omdat hij vlakbij is geboren en hier als jongen al heeft rondgestruind.

Veel mensen denken dat vlinders alleen in de lente en de zomer leven, van april tot september. „Ze weten niet wat ze missen”, zegt Joep. „Vlinders zijn het hele jaar te zien.”

Over de Lepidoptera, de schubvleugeligen, behorende tot de gevleugelde insecten, bestaan veel misverstanden, schreef vlinderaar Vladimir Nabokov al in zijn bekende roman Pnin. Er zijn zoveel soorten : zeker 160.000, verspreid over de hele wereld, van toendra’s tot woestijnen. Ze zijn lastig uit elkaar te houden. Bij het indelen in subsoorten en families ging er regelmatig wat mis.

Je hebt dagvlinders zoals de dikkopjes, de grote pages, de blauwtjes, de witjes en de zandoogjes. Maar niet elk blauwtje is blauw. Je hebt ook nachtvlinders, hoewel je volgens kenners beter over ‘schemeractief’ en ‘nachtactief’ kunt spreken. Sommige van die nachtvlinders vertonen zich ook overdag.

En dan is er nog het onderscheid tussen macro-vlinders, zoals het bokshandschoentje en de bladroller, en de micro-vlinders, zoals de zakdragers, de wortelboorders en de bloeddrupjes. Maar sommige micro-vlinders zijn groter dan macro-vlinders. Zoals de bonte brandnetelroller. En sommige macro-vlinders zijn kleiner dan micro-vlinders. Zoals het stro-uiltje. Zoek het maar uit.

We hoeven ons niet aan de gebaande paden te houden, zolang Joep ons begeleidt. We mogen hier zelfs dolen als de zon allang is ondergegaan. Joep is vrijwilliger van Staatsbosbeheer, zoals goed leesbaar op zijn bodywarmer staat. Hij wijst waar de pinkerbloemen en de bosanemonen in het voorjaar bloeien, waar de wilde kamperfoelie geurt als bedwelmend parfum.

In deze tijd van het jaar geven alleen de oranje vruchten van de Wilde kardinaalsmuts nog kleur aan het bos. Bomen zijn bladerloze staketsels waar de wind vrij spel heeft. Overwinteraars onder de vlinders hebben allang hun heil gezocht tussen de gedroogde berenklauw of onder bladerhopen. Alleen de bikkels onder de vlinders zijn nog in touw. Dat zijn de Kleine en Grote Wintervlinders die geduldig zitten te wachten tot de wind gaat liggen. We vinden er één, roerloos op een blad van nagelkruid. Even roerloos, vrijwel onzichtbaar, wachten de vrouwtjes, verscholen op boomschors. Zij kunnen niet vliegen. Hun vleugels zijn tot stompjes gereduceerd.

De meeste vrouwtjes wachten vergeefs. De meeste mannetjes komen aan paren niet toe. Ze verwaaien in de wind. Ze sterven een langzame dood in sloten en plassen. Bij tientallen, bij honderden, zien we ze drijven. Met een stok vist Joep uit het water ook nog de vederlichte overblijfselen van een gepluimde spanner. Een vlinderkerkhof in december.

Maar straks, in een zachte januarimaand, dienen de eerste waaghalzen zich alweer aan. De mannetjes van de Kleine en Grote voorjaarsspanner zoeken naarstig naar hun vrouwtjes die geduldig zitten te wachten op een boomstam. Vlinders kun je de vrouwtjes nauwelijks noemen. ‘Wandelende zak met eitjes’ klinkt zo wreed.

De voorjaarsspanners krijgen al gauw gezelschap van de kleine Lentebode en de sober gekleurde voorjaarsuilen. Het mooist van de vlinders die zich al in de winter vertonen, is de Nunvlinder, die de Hebreeuwse letter Nun op zijn vleugels draagt. Maar voor de meeste mensen begint het vlinderseizoen pas in het voorjaar als ze het mannetje van het Oranjetipje zien. Een flauwe lentezon wekt ook de vlinders die hebben overwinterd, weer tot leven. Zoals de dagpauwogen, gehakkelde aurelia’s en citroenvlinders.

Vlinders zijn nooit saai, zegt Joep, vlinders gaan nooit vervelen. Een ijsvogel of een patrijs vindt hij ook wel mooi, maar vlinders brengen hem steeds opnieuw in vervoering. Ook in de winter.

Vlinders in het Woud, geschreven door Hans Horsten en Joep Steur, uitgegeven door Stichting Natuurprojecten Schijndel, is verkrijgbaar via www.nmcschijndel.nl

    • Dick Wittenberg