Rijk bij rijk en arm bij arm, prima!

Mensen met lage inkomens wonen vaak bij elkaar, maar dat is niet zo erg, zegt hoogleraar Van Ham. De kwalijke invloed van ‘probleemwijken’ op bewoners is niet bewezen.

Veel politici en wetenschappers geloven heilig in ‘buurteffecten’. Mensen die in zogenoemde achterstandswijken wonen, zouden daar veel negatieve gevolgen van ondervinden: achterblijvende schoolprestaties, voortijdig schoolverlaten, crimineel gedrag, sociale uitsluiting en minder kansen op de arbeidsmarkt. Die overtuiging ligt ten grondslag aan het beleid van de afgelopen decennia om de bevolking van ‘probleemwijken’ in grote steden te mengen door sloop van sociale huurwoningen en de bouw van koopwoningen.

Maarten van Ham behoort niet tot deze gelovigen. En hij heeft bezwaren tegen mengingsbeleid. Vorige week lichtte hij die toe in zijn intreerede als hoogleraar Stadsvernieuwing aan de faculteit Bouwkunde van de TU Delft. Mengingsbeleid door middel van sloop en nieuwbouw, zegt hij, verbetert de woonomgeving, maar komt niet ten goede aan arme bewoners van deze wijken. Hij verbaast zich over de ‘bijna ideologische weerzin’ tegen ruimtelijke concentratie van bepaalde inkomensgroepen.

„Het geloof in buurteffecten”, legt Van Ham desgevraagd uit, „vindt geen ondersteuning in onderzoek dat is gedaan in Nederland en andere West-Europese landen. Die effecten blijken heel klein. Veel van deze theorieën komen uit de VS, waar in sommige stadswijken ’s nachts machinegeweervuur klinkt, waar politie niet eens durft te patrouilleren. In zulke extreme gevallen zijn buurteffecten evident. Het grote probleem is dat je buurteffecten lastig kunt onderscheiden van wat we ‘selectie-effecten’ noemen. Iemand met een laag inkomen die een woning zoekt, komt terecht in een wijk waar de woningen goedkoop zijn. Dat is niet verrassend. Je inkomen stuurt waar je terechtkomt. Was er nu eerst een laag inkomen en koos men daarom voor die buurt, of hebben mensen die er geboren zijn daardoor een laag inkomen?”

De samenstelling van buurten is eerder een afspiegeling van sociaal-economische ongelijkheid die elders is ontstaan, zegt Van Ham. „Een buurt is een ruimtelijke uitsortering van de maatschappij. We hebben in Nederland en in veel andere landen wijken gebouwd voor hogere, lagere en middeninkomens. En op sommige plekken zijn grote concentraties van sociale huurwoningen. So what?

„Wat is er mis aan wijken met concentraties van mensen met een laag inkomen? Mensen moeten ergens wonen. De vraag is waarom we eigenlijk iets willen doen aan die buurten. Is dat nu om de mensen te helpen die er wonen of is het om de buurt te verbeteren? De buurt verbeteren is niet zo moeilijk. Je sloopt een wijk en zet er koopwoningen neer. Dan krijg je kopers, en die hebben doorgaans werk. Het kost een boel, maar het is te doen. Een veel grotere uitdaging is iets doen aan de armoede van de mensen die er wonen. Daarvoor moet je die mensen kansen bieden, door scholing bijvoorbeeld. Op het moment dat zij kansen, werk en een inkomen krijgen, hebben ze de mogelijkheid om te verhuizen en gaan ze vanzelf naar een andere wijk.”

„Als je vindt dat je moet mengen en mensen gaat verspreiden over de stad, los je de armoede in de gezinnen die je verspreidt niet op.” Van Ham beseft dat zijn kritiek kan worden misbruikt. „In tijden van crisis kan de overheid eruit concluderen dat je dan maar moet ophouden met geld pompen in achterstandswijken. Terwijl ik vind dat de overheid juist moet zorgen dat iedereen in Nederland een gezonde, veilige, goed ontsloten wijk heeft, woont in een woning waar geen schimmel aan de muur groeit en waar de regen niet binnenkomt.”

    • Dirk Vlasblom