Nét iets mooier dan de waarheid

Na de ontmaskering van Diederik Stapel hopen de gevallen van wetenschapsfraude zich op. Het is geen nieuw fenomeen: sinds jaar en dag zijn er wetenschappers die onderzoek vervalsen. Drie historische fraudeurs.

De Fransman Louis Pasteur (1822-1895) is één van de grootste wetenschappers uit de geschiedenis. Deze grondlegger van de medische microbiologie heeft een indrukwekkend aantal uitvindingen op zijn naam staan; de techniek van het pasteuriseren is zelfs naar hem vernoemd. Hij was niet alleen een geniale wetenschapper, hij had ook een groot talent voor pr. Als hij een nieuwe ontdekking had gedaan, belegde hij een grootschalig evenement waarbij hij zijn bevindingen in een openbaar experiment bewees. Daarbij spaarde hij kosten noch moeite: lichteffecten, borrelende chemicaliën, metaalkleurige buisjes – Pasteur deed er alles aan om de uitkomsten van zijn onderzoek op een flashy manier te presenteren en groeide daardoor uit tot een negentiende-eeuwse ‘media darling’.

Toch is zelfs Louis Pasteur niet helemaal onomstreden. Uit bestudering van zijn onderzoeksaantekeningen, die pas tachtig jaar na zijn dood in de openbaarheid kwamen, blijkt dat hij er niet voor terugdeinsde om zijn resultaten soms nét iets mooier voor te stellen dan ze in werkelijkheid waren. Pasteur claimde bijvoorbeeld dat hij met ‘zijn’ techniek van het oxideren van de antraxbacterie een vaccin had gevonden tegen miltvuur. Toen hij door critici werd uitgedaagd om deze bewering te bewijzen, belegde hij een dramatisch experiment: op een boerderij in het dorpje Pouilly-le-Fort entte hij vijfentwintig schapen in met zijn vaccin, terwijl hij vijfentwintig andere schapen onberoerd liet. Daarna injecteerde hij alle vijftig schapen met de miltvuurbacterie. Met gewenst gevolg, want alleen de niet-gevaccineerde schapen vonden de dood. Pasteur had alle criticasters de mond gesnoerd. Uit zijn onderzoeksaantekeningen blijkt evenwel dat hij bij het openbare experiment niet zijn eigen oxidatietechniek had gebruikt, maar die van een grote concurrent. Blijkbaar was hij niet zeker genoeg van zijn zaak – en bang om af te gaan.

De mediagenieke Pasteur was een ster en wilde dat graag blijven. Om in het middelpunt van de belangstelling te staan, moest hij soms concessies doen aan zijn wetenschappelijke geweten. Ook de Nederlandse medisch bioloog Anthonie Stolk (1916-1996) leed aan de prestatiedruk die de wetenschap eigen is. In 1950 verdedigde hij kort na elkaar twee proefschriften: één bij geneeskunde over gezwellen bij amfibieën, reptielen en vissen, één bij biologie over hormonale zwangerschapsverschijnselen bij gupjes. Een uitzonderlijke prestatie. En omdat de jonge doctor ook gereformeerd was, benoemde de Vrije Universiteit hem op 34-jarige leeftijd tot hoogleraar.

Stolk bleek aanvankelijk een goede keuze, want als professor had hij een ongekende productiviteit. Prestigieuze internationale vakbladen stonden in de rij voor de baanbrekende artikelen die de jonge en verlegen wetenschapper in een ongekend tempo uit zijn typemachine draaide.

Een jaar of twaalf na Stolks benoeming kwamen de eerste tekenen van malafide onderzoekspraktijken aan de oppervlakte. Na vondsten van laboratoriumstukken bleek dat Stolk voor zijn onderzoekingen stelselmatig maar een fractie van de benodigde data verzamelde; de rest verzon hij er simpelweg bij. Anthonie Stolk had zich verloren in zijn drang om te presteren en zich in korte tijd ontwikkeld tot een pathologische leugenaar. Om gezichtsverlies te voorkomen, stopte de universiteit de zaak in de doofpot en verleende hem eervol ontslag. Hij bleef vrijwel de rest van zijn leven een gerespecteerd figuur, onder andere als auteur van (deels verzonnen!) reisverhalen en columnist van De Telegraaf. Gevraagd naar zijn vroege emeritaat verklaarde hij slechts dat hij van zijn academische werk ‘de zenuwen’ had gekregen. Pas in 1993 ontmaskerde wetenschapsjournalist Frank van Kolfschooten de zich nog steeds ‘professor’ noemende fraudeur in een boek over bedrog in de Nederlandse wetenschap. Als jonge hoogleraar moet Stolk het gevoel hebben gehad anderen te moeten pleasen, maar uiteindelijk pleasde hij alleen zichzelf.

Toch is het niet in álle gevallen moreel onverantwoord om te frauderen met wetenschappelijke data. De antropoloog Arie de Froe (1907-1992) was in de jaren dertig een talentvolle onderzoeker binnen het destijds nog gerespecteerde vakgebied van de rassenkunde. Hij was bedreven in het opmeten en analyseren van fysieke eigenschappen en in 1938 promoveerde hij op een onderzoek naar afmetingen van de menselijke schedel. Tijdens de bezetting van Nederland werd zijn kennis ineens van onschatbare waarde. Een vriend van De Froe was namelijk getrouwd met een Joodse vrouw. Kon de antropoloog niet iets voor haar betekenen? Ja, dat kon De Froe. Hij onderwierp de vrouw van zijn vriend aan een minutieus erfbiologisch onderzoek. De grootte van haar schedel, de afstand tussen haar ogen, de diepte van haar neus – ruim dertig fysieke variabelen mat hij op. Vervolgens schreef hij een rapport waarin hij, onder verwijzing naar autoriteiten uit het Derde Rijk, de nadruk legde op enkele lichaamskenmerken van de vrouw die juist niet typisch Joods waren. Hij concludeerde – natuurlijk tegen beter weten in – dat de vrouw bijna onmogelijk volledig tot het Joodse ‘ras’ kon behoren.

De Froe’s actie had succes, want de nazi’s waren ontvankelijk voor de argumenten van een gepromoveerd antropoloog die op basis van vertrouwde theorieën zo’n degelijk rapport had geschreven. En het zou niet bij één rapport blijven: De Froe mat tijdens de oorlog meer dan vijfhonderd Joden op. Vaak slaagde hij erin te ‘bewijzen’ dat iemand onmogelijk een kind kon zijn van twee Joodse ouders, maar waarschijnlijk het product was van een buitenechtelijke relatie van de moeder met een christelijke, ‘arische’ man. Het gevolg was een vaak levensreddende statuswijziging van ‘voljood’ naar ‘halfjood’ of ‘kwartjood’. Zo bevocht deze ‘fraudeur’ de vijand met de eigen wapenen en behoedde hij vele Joden voor deportatie naar concentratiekampen.

Pasteur, Stolk en De Froe: drie hoog aangeslagen wetenschappers uit het verleden die om verschillende redenen fraude pleegden: respectievelijk uit narcisme, vanwege de hoge werkdruk en om ‘goed te doen’. Wie van de drie lijkt er het meeste op de voormalige ‘media darling’ Diederik Stapel, die naar eigen zeggen zijn grootschalige wetenschapsfraude pleegde vanwege de moordende publicatiedruk en zijn drang om ‘mensen te helpen’?

Stapel staat ontegenzeggelijk het verst af van Arie de Froe: de antropoloog loog onder buitengewone omstandigheden om de levens van anderen te redden, Stapel loog alleen ter meerdere glorie van zichzelf. Ook Pasteur was vooral met zichzelf bezig, maar die zoog niet hele onderzoeken uit zijn duim – de resultaten van zijn onderzoeken en uitvindingen stonden buiten kijf, hoogstens vertelde hij niet altijd de hele waarheid. Nee, Diederik Stapel heeft uiteindelijk het meeste weg van Anthonie Stolk: beiden waren talentvolle onderzoekers (net als Stolk werd Stapel al hoogleraar op 34-jarige leeftijd), beiden konden de druk niet aan en ontwikkelden zich tot pathologische leugenaars. Het is afwachten of we Stapel binnenkort ook als krantencolumnist kunnen verwelkomen.

    • Jaap Cohen