De pijnlijke vraag die toch gesteld moet worden

H et hartverscheurende verdriet over de plotselinge dood van een dierbare beleeft iedereen anders. Hoe anders, is te zien in de indrukwekkende documentaire Gesneuveld van Robert Oey. Daarin vertellen nabestaanden van de 25 Nederlandse militairen die in Afghanistan zijn omgekomen met bewonderenswaardige openhartigheid over hun verlies, over hoe ze het nieuws hoorden en wat het sindsdien met hen gedaan heeft.

Een week geleden was de film op televisie, maar wie hem gemist heeft kan dat nog inhalen op Uitzendinggemist.nl. De partners, de ouders, de kinderen en vrienden van de gesneuvelden, ze laten je niet meer los.

Een jonge weduwe vertelt hoe ze voor haar man naar Uruzgan vertrok nog samen een nieuwe keuken hadden geplaatst, alleen de achterwand moest nog worden uitgezocht. „We hadden zoiets van: je bent er even een paar maanden tussenuit en dat pakken we straks wel weer op.” Een moeder vertelt hoe het leven nu voor haar nauwelijks nog zin heeft. Een vrouw hoe moeilijk haar dochtertje het ermee had. Een vader hoe z’n huwelijk op de klippen liep. Een ander over zijn bitterheid toen bleek dat zijn zoon bij vergissing was doodgeschoten door eigen mensen.

Opmerkelijk is dat geen van de nabestaanden de vraag opwerpt of de hele militaire missie naar Afghanistan eigenlijk wel zin had. Het dichtst bij die intens pijnlijke vraag komt een vriend van een gesneuvelde militair, maar ook hij gaat er niet echt op in. „We hebben ook toen al gezegd: wat is het waard?”, zegt hij, kennelijk doelend op een gesprek met zijn vriend voordat die vertrok. „Ik hoop echt dat de mensen in Afghanistan door de bijdrage van Nederland een beter bestaan kunnen hebben. Maar wij hebben wel onze maat verloren.”

Maar de vraag is niet alleen of de opbouw van Afghanistan het leven van zijn maat en al die andere levens waard was. De vraag is ook of het herstel van Afghanistan werkelijk van de grond is gekomen, en of we straks als de westerse troepen zich terugtrekken, niet terug bij af zijn.

Iedereen stelt de vragen waar hij behoefte aan heeft, zegt generaal Peter van Uhm, die op zijn eerste werkdag als Commandant der Strijdkrachten te horen kreeg dat zijn zoon in Uruzgan was gesneuveld. Lang geleden, vertelt hij in de film, had hij de volgende woorden opgeschreven, waarvan hij toen nooit gedacht had dat ze later nog eens zo toepasselijk voor hem zouden zijn: „Op de vraag waarom, is ieder antwoord krom. Het is beter stil te staan, bij hoe nu verder te gaan.”

Het is goed voorstelbaar dat nabestaanden er geen behoefte aan hebben om een politiek debat te gaan voeren, en dat ze de ‘waarom-vraag’ maar liever laten rusten. Het drama van het persoonlijke verlies is al groot genoeg. Wie zou daarbij ook nog de mogelijkheid onder ogen willen zien dat het misschien allemaal nergens goed voor was?

Maar politici die beslissen over militaire missies mogen die vraag niet uit de weg gaan. En de kiezers die die politici kiezen, of weer laten vallen, trouwens evenmin.

Want de nabestaanden in de film treuren niet over geliefden die bij een vliegramp of bij een aardbeving zijn omgekomen. Ze zijn gesneuveld bij een militaire operatie, die het gevolg is van politieke beslissingen: door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, door de NAVO en door de Nederlandse regering. Van een oorlog die ruim elf jaar geleden begon om Al-Qaeda na 9/11 uit te schakelen en de Talibaan te verdrijven, werd het een overmoedig groot project om Afghanistan tot in verre uithoeken te pacificeren en te moderniseren.

Er waren veel goede bedoelingen, maar had het zin? Zulke vragen te stellen is een land verplicht aan zichzelf – en aan de gesneuvelde militairen en aan de nieuwe lichtingen die op andere missies uitgezonden zullen worden. Het is – in een variatie op het rijmpje van Van Uhm – belangrijk daarbij stil te staan, juist om te bedenken hoe we verder gaan.

Juurd Eijsvoogel

    • Juurd Eijsvoogel