De herontdekking van de wereld

Zeker buiten Nederland heeft het tweede kabinet-Rutte een totaal ander gezicht dan het eerste. Na twee jaar naar binnen gekeerd te zijn is Nederland weer extraverter.

ISTANBUL - Premier Mark Rutte bezoekt een project van Royal Haskoning op de tweede dag van de handelsmissie in Turkije. Het Nederlandse adviesbureau bouwt een brug voor de metro over een van de zijtakken van de Bosporus. ANP EVERT-JAN DANIELS

Ook al stond de reis allang op de agenda, een bijzonder moment was het toch. Nog geen 24 uur nadat het tweede kabinet-Rutte op 5 november was beëdigd, begonnen premier Mark Rutte en minister Lilianne Ploumen van Buitenlandse Handel een tweedaags bezoek aan Turkije. Het onderlinge debat van de net aangetreden ministersploeg over de regeringsverklaring moest maar even wachten. Het buitenland ging nu voor.

Rutte en Ploumen waren op handelsmissie met tien topmannen van multinationals en tachtig vertegenwoordigers van het midden- en kleinbedrijf. Naar Turkije nog wel, het land waarmee de betrekkingen onder het vorige kabinet herhaaldelijk verstoord waren door anti-Turkse uitspraken van gedoogpartner PVV. Maar nu stonden ontmoetingen met president Gül en premier Erdogan op het programma.

Een jaar eerder hadden Nederlandse diplomaten hun Turkse collega’s nog gegeneerd moeten uitleggen wat een PVV-Kamerlid precies bedoelde toen hij Erdogan aanduidde als een „islamitische aap” die uit de mouw kwam. Nu was de sfeer duidelijk opgeklaard.

„Die reis, terwijl het nieuwe kabinet nog maar net was aangetreden, was een belangrijke symbolische boodschap”, zegt Diederik van Wassenaer, als hoofd Clients & Network bij ING onder meer verantwoordelijk voor het over veertig landen verspreide netwerk van de bank/verzekeraar. „Rutte had ook kunnen zeggen: Ik ben nog geen week in functie, ik heb het nu even te druk, ik kom later wel.”

Maar niet alleen voor de betrekkingen met Turkije en de buitenlandse handel was de eerste buitenlandse reis van Rutte als premier van het VVD/PvdA-kabinet een krachtig symbool. Na Rutte I, dat in binnen- en buitenland werd verweten dat het zo naar binnen gekeerd was en zich afwendde van de buitenwereld, tekent zich nu een nieuwe koers af in het buitenlands beleid, constateren verschillende waarnemers in gesprek met deze krant.

„Het was duidelijk zichtbaar met die handelsmissie”, zegt Bernard Wientjes, voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO-NCW, die mee was naar Turkije. „Rutte noemde het buitenland cruciaal voor Nederland. Ik heb kritiek op hem gehad omdat hij nooit in China is geweest. Maar hij heeft me nu beloofd dat daar verandering in komt. Hij beloofde ook meer aandacht te gaan besteden aan landen waar we relatief zwak zijn: de BRIC-landen en andere landen buiten Europa.”

Nederland, kun je zeggen, maakt zich na de diplomatiek magere jaren van Rutte I op voor een ‘herontdekking van de wereld’. Het is belangrijk, zei minister Frans Timmermans van Buitenlandse Zaken op de eerste dag van zijn aantreden, „dat Nederland weer een hoofdrol speelt in allerlei internationale ontwikkelingen”. Let op het woord ‘weer’.

Timmermans getuigde daarmee misschien niet van grote bescheidenheid, maar wel van de ambitie om meer een internationalist te zijn dan zijn voorganger Uri Rosenthal. „Hoe we de internationale ontwikkelingen vorm geven zal bepalend zijn voor de economische en politieke kansen voor ons land”, aldus minister Timmermans.

Om te beginnen is de Europese politiek naar een hoger niveau getild, zegt Mathieu Segers, universitair hoofddocent geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Dit kabinet kiest volgens hem voor een minder technocratische en meer politieke aanpak. „Nederland zegt niet meer alleen: regels zijn regels, maar zoekt de marges. Dat Nederland politieker opereren wil, blijkt ook uit de wens van Timmermans de banden met Duitsland verder aan te halen. Dat getuigt van realisme. We hebben het wel vaak over versterking van de Benelux, maar als je naar de eurocrisis kijkt zit Nederland veel dichter bij de Duitsers dan bij de Belgen, die op dit punt toch wat mediterraner zijn.

„Verder hebben we nu geen staatssecretaris van Europese Zaken meer maar een minister”, zegt Segers. „Ik verwacht veel van Timmermans: hij is een van de weinig echte Europeanen. Hij is flexibel en bij onverwachte wendingen heb je flexibiliteit nodig. Een deel van de Europa-ambtenaren van Buitenlandse Zaken valt nu onder de minister-president. Dat geeft aan dat men er meer belang aan hecht.”

Het stoort Segers niet dat dit kabinet soms met ‘dubbele tong’ spreekt als het over Europa gaat: één verhaal voor in Brussel, een ander verhaal voor thuis. „Dat is usance in Europa. Dat accepteert ook iedereen. Men begrijpt dat je als politicus ook een verhaal hebt voor je achterban. Het probleem van Nederland was juist dat het maar met één tong sprak.”

Ook Hans van Baalen, delegatieleider van de VVD in het Europees Parlement, neemt de omslag in het buitenlands beleid tevreden waar. „Nederland moet allereerst zorgen voor een grotere invloed binnen de Europese Unie. Daar moet in geïnvesteerd worden.” En de band met grote bondgenoot Amerika? „Als we in Europa niets voorstellen, stellen we in de transatlantische betrekkingen ook niets voor.”

Bij het voeren van buitenlands beleid is de persoon heel belangrijk, zegt Van Baalen, die Timmermans „een hele goede lobbyist” noemt en „niet iemand die op de winkel gaat passen, hij wil er echt iets van maken. En veel mensen buiten Nederland kennen hem.

„Buitenlands beleid hoort ook bij de premier. Hij moet veel meer gaan reizen dan hij heeft gedaan. Dat kon hij in de voorbije periode niet, omdat de coalitie niet stabiel was. Nu moet hij naar Indonesië, naar China, naar Japan. Buitenlands beleid is het behartigen van Nederlandse belangen. Daar gaat het om. Handel, handel, handel.”

Een bezorgdere toon slaat Ko Colijn aan, de directeur van Clingendael, het instituut voor internationale betrekkingen in Den Haag. Zeker, ook hij heeft de indruk dat onder het nieuwe kabinet het tij van het buitenlands beleid begint te keren.

Deze zomer bracht zijn instituut, met het oog op de Tweede Kamerverkiezingen van 12 september, nog een eenmalig tijdschrift uit getiteld Rijk achter de dijken? dat in feite een noodkreet was om de internationale statuur van Nederland te redden. Nederland was een introvert land aan het worden, waarschuwde Colijn: „te defensief, te eurokritisch, te verongelijkt, te zuinig, te veel zwenkend naar eigenbelang en korte termijnvoordeel, en soms zelfs bruuskerend”.

De blik is nu meer naar buiten gericht, constateert Colijn. „We steken ons hoofd weer boven de dijken uit. In het regeerakkoord klinkt goede wil door en deze minister is ongetwijfeld meer pro-Europa dan zijn voorganger. Bij het ministerie van Buitenlandse Zaken is een zucht van verlichting opgegaan.

„Maar in geld vertaalt dit zich niet. Verhoudingsgewijs wordt Buitenlandse Zaken veel harder aangeslagen dan andere ministeries. Er moet alleen al 40 miljoen bezuinigd worden op de ambassades en consulaten. Bij Buitenlandse Zaken vraagt men zich af: Why do they hate us? Europese ambassades vindt Rutte niet meer nodig, omdat hij die landen zelf wel kan bellen. Daar gruwen ze op het ministerie van, alsof hij dat allemaal zelf kán regelen”, aldus Colijn. „De vraag is of Buitenlandse Zaken in januari de hakken in het zand gaat zetten of mee buigt, met het risico dat je de volgende keer weer gepakt wordt. Timmermans zit in een moeilijke positie: hij heeft getekend voor dit regeerakkoord. Maar nog één, twee bezuinigingen en dat ministerie bestaat niet meer.”

Volgens VNO-voorzitter Wientjes zou het sluiten van de tientallen buitenlandse posten – daar is sprake van – „een gigantische fout” zijn en „heel erg dom”. „Daar gaan we ons echt heel erg hard tegen verzetten.”

In het vorige kabinet was Ben Knapen staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, belast met Europese Zaken en Ontwikkelingssamenwerking. Over zijn opvolgers wil hij zich niet uitlaten, maar wel over het soort buitenlandse politiek waar deze tijd volgens hem om vraagt.

Als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid was hij in 2010 auteur van het rapport Aan het buitenland gehecht; verankering en strategie van Nederlands buitenlandbeleid.

„Dat rapport is geschreven vanuit de achtergrond dat de dynamiek in de wereld snel aan het verschuiven is naar ander plaatsen dan Europa. Dat heeft twee gevolgen: dat Europa kleiner wordt in de grote wereld, en dat Nederland kleiner wordt in de zich uitbreidende Europese Unie. Nederland heeft qua grootte altijd een beetje tussen tafellaken en servet gezeten. Neem het vredesproces in het Midden-Oosten: wij discussiëren er nogal eens over alsof we er veel invloed op hebben, maar dat hebben we natuurlijk niet. Zelfs de Amerikaanse president moet alle zeilen bijzetten er enige invloed te kunnen uitoefenen”, zegt Knapen.

„Het besef van dat soort dingen begint langzaam door te sijpelen. Maar het gaat nooit snel. De Europese Unie is er om, laat ik zeggen, onze manier van leven te beschermen tegen machtige handelspartners die autoritair in elkaar zitten en om andere landen te beïnvloeden. Als je een vuist wilt maken, kan je dat beter doen met de EU.”

Maar dat betekent volgens Knapen niet dat voor nationale belangenbehartiging geen plaats is in de buitenlandse politiek. „Zoals Groningen kan wedijveren met Maastricht om een buitenlands bedrijf binnen te halen, zo blijf je ook tussen Europese landen concurrentie houden.” Het besef dat Nederland en Europa in de veranderende wereld een bescheidener positie hebben dan vroeger, is in elk geval doorgedrongen bij Michelle van der Burg, een jonge dertiger die in Londen bij een grote multinational werkt. „Ik was op een bijeenkomst van het World Economic Forum in Indonesië. Daar zei president Yudhoyono: Europa heeft veel potentieel. Hij bracht het positief, maar het was ook duidelijk dat Azië niet op Europa gaat zitten wachten. Ze hebben er belang bij dat de eurocrisis wordt opgelost, maar Azië gaat hoe dan ook gewoon door.”

De komende vijftien jaar zal de lokale economie hier niet erg groeien, zegt Van Wassenaer van ING. „Economische groei zullen we uit de export moeten halen. Onze sector bedient duizenden bedrijven die een omzet van meer dan 25 miljoen hebben. Vrijwel nooit heb ik daar een bedrijf bijgezien dat niet heel belangrijke activiteiten in het buitenland had.”

Handelsbevordering is dus een belangrijke taak voor het buitenlandbeleid, vindt hij – maar niet de enige. „Nederland heeft ook altijd pal gestaan voor de internationale stabiliteit en rechtsorde. Overigens is dat ook een voorwaarde voor goede handel.”

    • Juurd Eijsvoogel
    • Mark Kranenburg