De Dijk zingt soulvol over de hoop dat alles goed komt

Schrijver en voormalig Amsterdams stadsdichter F. Starik bezocht een concert van De Dijk

Pop

De Dijk, 13, 14 en 15/12 Paradiso Amsterdam. ****

Ik was begin twintig toen De Dijk de single Bloedend Hart uitbracht. Het type nummer waar je je eigenlijk een beetje voor schaamt, dat je het mooi vindt, het soort lied dat je in de loop der jaren tegen wil en dank toch woordelijk leert meezingen: een klassieker was geboren.

Ik ben begin vijftig en ik mag naar een concert van De Dijk, in Paradiso. De grap is: ik ben nog nooit naar een concert van De Dijk geweest. Huub van der Lubbe heb ik dikwijls solo zien optreden, en dat doet hij geweldig: strakke man, goeie pakken ook, een rijzige, trotse gestalte met een machtige motoriek, alsof hij zijn woorden uit zijn middenrif tevoorschijn moet wringen, alsof hij ze telkens opnieuw moet dwingen uit hem op te staan.

De Dijk zingt over vergeefse liefdes, mislukte levens, eenzaamheid, in niets aan de verbeelding overlatende, directe, kale woorden. Daar wil je niet bij wezen, dacht ik. Maar vooral, blijkt in een stijf uitverkocht Paradiso, zingt De Dijk over de hoop dat alles goed komt, dat er elke dag wel iets te vieren valt. In de loop van de avond wordt iedere fan getrakteerd op een lachje, een knikje, een onhandig dansje, op een soepel rockende band, een perfecte soulvolle machine, op een eindeloos aantal toegiften. In de loop van de avond gaat eerst het jasje uit, dan het vestje, en tenslotte ook het overhemd, staat de zanger voor ons in een eenvoudig zwart shirt, wordt het licht gedempt, zingt de held over zijn grote hart, en de zaal brult als één man met hem mee. Zegt hij retorisch: „Je moet zelf een band beginnen. Kun je rijk mee worden!”

En al die grote mannen, al die moeders die hun dochter meebrachten, ze weten het weer. Ja, zo hadden ze moeten leven, zo had het moeten zijn.