Angst

Kalmeer eerst zelf. Luister naar hun angsten. Wees eerlijk: ‘Tips voor het praten met kinderen over de schietpartij’ behoorde gisteren tot de meest ge-e-mailde artikelen uit de The New York Times.

Mijn kinderen (8 en 10) zaten jaren op een openbare basisschool in Washington. Ook daar hadden we lockdowns: alle schooldeuren op slot totdat de politie het sein veilig gaf. Ouders kregen zoiets prompt te horen via een robocall, een per computer gestuurd telefoontje van de schooldirecteur. Paniek was er dan nooit. Ze joegen weer ergens in de buurt op een voortvluchtige inbreker of een verwarde man, wist je. ‘Gewoon’ een preventieve maatregel, voordat zo iemand de school in vluchtte.

Hoeveel schietpartijen hebben we in zes jaar meegemaakt, tot werkelijk doordrong wat de reden was voor de lockdowns: dat alle volwassenen in Amerika nu eenmaal om zich heen kunnen gaan schieten? Dat psychopaten er gemakkelijker aan een machinegeweer komen dan aan een goede dokter? De schietpartij op het Amish-schooltje in Nickel Mines, Pennsylvania: vijf doden. De massaslachting op Virginia Tech in Blacksburg, Virginia: 32 doden. De universiteit in DeKalb, Illinois: vijf. Omaha, Nebraska: negen. Fort Hood, Texas: twaalf. En zes doden bij de aanslag op Congreslid Gabby Giffords in Tucson, Arizona.

Ja, je weet dan wel dat iedereen een wapen kan dragen. Dat het toch zelden zo voelt, is alleen te verklaren als zelfbescherming. Hoe zou een mens anders nog over straat durven?

In Washington had mijn zoon klasgenoten die zelfs geen pief-paf-poef van hun ouders mochten spelen. Hier moorden vriendjes van zijn leeftijd erop los in de extreem gewelddadige videogame Call of Duty Black Ops.

Zaterdagavond was het al, en nog had ik geen woord over Newtown gezegd. Ik kon het niet. Pas tijdens het Jeugdjournaal ging ik ervoor tussen mijn kinderen zitten.

Het Jeugdjournaal gaf zoals altijd voorbeeldig sec de feiten – op een misselijkmakend speeltuintje achter de NOS-correspondent na. Mijn zoon had „het al in de krant gelezen”, mompelde hij. Mijn dochter hoorde het voor het eerst, en zweeg.

We zwegen allemaal.

Godzijdank volgde daarop een item over Johannes de bultrug. Nu riep iedereen „ach” in koor, wat neerkwam op weer ademen. Zoals een dag later, toen het beest eindelijk dood was, half Nederland los ging op Johannes. Je kunt daar misprijzend over doen, maar ik begrijp het wel. Een bultrug is te bevatten. Met de hel ligt dat anders.

The New Yorker schreef dit weekend: „Als een vrouwelijk Congreslid in coma nog niet voldoende grond is om de rol van vuurwapens in ons nationale leven te herzien, is een schoolgebouw vol dode kinderen dat dan wel?” Maar angst is nooit redelijk. Ik ben dus bang van niet.

Margriet Oostveen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Christiaan Weijts.