Zes eeuwen werken met zuur en inkt

techniek

Kunsthistorici weten weinig van de praktijk van diepdruktechniek. Etsers weten weinig van de theorie. Het nieuwe standaardwerk van Ad Stijnmans maakt de sprong.

‘Bloemenkoningin’ door de Meester van de Speelkaarten. Een van de allereerste gravures.

Je krijgt enorme zin om te gaan etsen, als je de handelseditie leest van Ad Stijnmans proefschrift over zes eeuwen graveer- en etstechniek. Stijnman promoveerde vorige maand aan de Universiteit van Amsterdam op Engraving and Etching 1400–2000. A History of the Development of Manual Intaglio Printmaking Processes. Zijn breed opgezette studie van 672 pagina’s behandelt, anders dan de meeste kunsthistorische studies over prentkunst, niet vooral het eindproduct, de prent, de afbeelding of verfijnde compositie. Stijnman onderzocht de historie van alle stappen in het proces van de manuele diepdruk om tot dat eindproduct te komen: het prepareren van de metalen plaat, de manier waarop daar met gereedschappen of zuren afbeeldingen in gegraveerd of geëtst worden, het maken van de speciale inkt, het afdrukken, de werkplaats, de opleiding, de professionalisering, enzovoort.

Stijnman blijft aanstekelijk dicht bij de praktijk in zijn tekst en bronnen: wat deden ze precies, die eeuwenoude graveurs. Maar ook moderne etsers, hoe kwamen ze aan hun materialen, wat gebruikten ze, hoe maakten ze hun grafiek. Je krijgt daardoor, ondanks zijn heldere en beknopte schrijfstijl, steeds zin het boek weg te leggen en zelf aan de slag te gaan. Om etsinkt aan je handen te krijgen.

Dat geldt althans voor mij, omdat ik ooit een kunstopleiding volgde waar je ook leerde etsen. De praktijk van het etsen heeft iets ambachtelijks, iets magisch, alchemistisch: je moest plaatjes zink (koper was te duur) bewerken met bruine, geurige, zuurbestendige etsgrond (was, hars en asfalt samengesmolten) en daarin met speciale stalen pennen tekenen. Dan gaat die betekende plaat in een zuurbak met etswater (verdund salpeterzuur). Gevaarlijk spul, ramen open – als zink en salpeterzuur reageren, ontstaan giftige stikstofoxiden. En toch maar boven die bak naar je plaatje kijken of er al belletjes ontstaan langs de lijnen die jij hebt weggekrast uit de beschermende etsgrond, waar zuur en zink met elkaar reageren. Dan met een veerde belletjes wegvegen bij de lijn, en door te roeren nieuw zuur aanvoeren. En op tijd de plaat eruit halen: te lang in de zuurbak en je bijt je plaat te diep uit.

Dan schoonmaken en ininkten. Daarbij maakten wij de etsplaat warm op een koffiewarmhoudplaatje, zodat de taaie inkt, met een leren tampon opgebracht, soepeler werd en makkelijker in de uitgebeten lijnen kon worden gebracht. Het aangenaamste werk vond ik het afslaan, het met je hand de overtollige inkt weer van de etsplaat vegen, maar zo, dat de inkt in de dieper liggende, geëtste lijntjes bleef zitten. Prettig vuilehandenwerk. En dan met klemmetjes het van te voren al vochtig gemaakte papier op de plaat op de etspers leggen: vochtig papier is niet zo stijf als droog papier, laat zich daarom goed in de dieper gelegen geëtste lijnen persen en neemt zo de inkt in die groeven op. Manuele diepdruk in de praktijk – waarvan de basistechnieken in bijna zeshonderd jaar niet of nauwelijks zijn veranderd.

Ad Stijnman moet lachen als ik vertel hoe zijn proefschrift allerlei ervaringen en geuren uit mijn al lang vervlogen etsverleden terugbracht. “De tactiele ervaring is heel belangrijk,” zegt hij, “voor een beter begrip van de historie van etstechnieken. Neem inkt. Wij gebruiken hetzelfde woord, inkt, voor waterige schrijfinkt, en voor taaie drukinkt op oliebasis voor etsen. Als je je als kunsthistoricus bij inkt eigenlijk alleen maar dunne vloeibare schrijfinkt voor kunt stellen, heb je geen goed beeld van de etspraktijk. Eén keer je vingers in drukinkt stoppen en je vergeet dat nooit meer.”

Brug slaan

Die kloof tussen theorie en praktijk overbruggen is een van Stijnmans voornaamste drijfveren geweest voor dit proefschrift, de vrucht van 25 jaar studie. “Ik wil een brug slaan tussen kunsthistorici, die veel theoretische kennis bezitten, maar nogal ver afstaan van de etsinkt-aan-je-handen-praktijk, en de mensen die nu etsen en gravures maken, maar vaak weinig theoretische achtergrond hebben.” Stijnman verenigt beide groepen in zich: hij is graficus, als kunstenaar opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag, en al in druktechniek geïnteresseerd sinds zijn achtste, toen hij zijn eerste prenten probeerde te drukken.

Omdat hij voorzag dat hij van alleen grafiek maken niet zou kunnen leven, begon hij ook aan een opleiding tot bibliothecaris. Die twee zaken, zijn ervaring als graficus en zijn opleiding in bronnenonderzoek, heeft hij in zijn studie naar de geschiedenis van de manuele diepdruk gaandeweg gecombineerd.

Aantekeningen uit zijn academietijd, die hij gebruikte om praktische problemen op te lossen bij het drukken van etsen, werkte Stijnman uit tot het Etsvademecum, dat in 1985 bij uitgeverij Cantecleer verscheen. Zijn bibliografie van praktische handleidingen voor graveurs en etsers (1986) vond al aftrek onder academici, zoals boekhistoricus Frans Janssen (voormalig bibliothecaris van de Ritman-bibliotheek). Alles bij elkaar heeft hij ruim honderd publicaties over grafische technieken en hun geschiedenis op zijn naam staan.

Stijnman deed in de jaren negentig kunsttechnologisch bronnenonderzoek voor het Instituut Collectie Nederland (nu deel van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed), ondermeer naar de oorzaken van inktvraat, zoals aangetroffen bij de tekeninkten die Rembrandt gebruikte. Daarna werkte hij in de Herzog August Bibliothek in Wolfenbüttel (Duitsland) mee aan de opzet van het zogenaamde Virtuelles Kupferstichkabinett, een online database voor de collectie grafiek die men daar vanaf de zestiende eeuw heeft verzameld. Het project was voor Stijnman tevens een uitgelezen kans om prenten in hun oorspronkelijke omgeving – en zonder dat ze waren gerestaureerd of in passepartout gezet – te bestuderen. Het leverde een schat aan gegevens over de historische prentproductie op en zijn boek is rijkelijk geïllustreerd met werken uit de Herzog August Bibliothek.

Al dat onderzoek van zeker een kwart eeuw is geculmineerd in Stijnmans proefschrift, dat de historie van de handmatige diepdrukprocessen beschrijft, met aanvullende, door hem samengestelde lijsten, zoals de volledig herziene bibliografie van ruim 1.500 praktische handleidingen (gedrukt of in handschrift) voor graveurs en etsers vanaf de zestiende eeuw tot op heden.

Polijststaal

Diepdruk is een Europese uitvinding: midden jaren 1430 werden aan de Bovenrijn, ten noorden van Bazel, voor het eerst gravures afgedrukt – dat wil zeggen: afbeeldingen in metalen platen gegraveerd, ingeïnkt, afgeslagen en op papier afgedrukt, aanvankelijk door handmatig afwrijven met een polijststaal, later met een rollenpers (etspers).

De eerste bekende gravures zijn toegeschreven aan de anonieme Meester van de Speelkaarten. Stijnman: “Kaartspelen waren mateloos populair toen en het papier waarop die kaarten waren gedrukt sleet snel, dus er was geld te verdienen met de productie van speelkaarten.” Dat gebeurde tot dan toe vooral met houtsnedes (hoogdruk). Maar de Meester van de Speelkaarten gebruikte de bij metaalbewerkers bekende techniek om decoraties en afbeeldingen met een burijn in metaal te graveren. Op deze wijze kon hij voorstellingen maken die verfijnder, gedetailleerder waren dan wat met houtsnede mogelijk was; zijn kaarten behoorden daardoor waarschijnlijk tot de duurdere spellen. Wat de Meester heeft bedacht, is om die gravures op papier over te zetten op een manier die tot dan toe niet bekend was: daarmee is de manuele diepdruk ontstaan. De opkomst en verspreiding van de diepdruktechniek hing verder samen met de bloei van de papierproductie in Europa vanaf 1400.

Met diepdruktechnieken, zeker met etsen, is het makkelijker tekeningen, ook losjes getekende voorstellingen, te reproduceren. Het was de Duitse wapensmid Daniel Hopfer (c.1470–1536) die omtrent 1495 in Augsburg voor het eerst geëtste ijzeren platen op papier afdrukte. Hij verdient, volgens Stijnman, eenzelfde status als bijvoorbeeld Johannes Gutenberg (1395/1400–1468) die als uitvinder van de boekdrukkunst heeft. Wapensmeden als Hopfer gebruikten waarschijnlijk een mengsel van azijn, keukenzout en kopersulfaat voor het decoreren van stalen harnassen, zwaarden en speerpunten. Het mengsel vormde een bijtende stof die vlot ijzer etste, maar het werkte niet op het half-edelmetaal koper. Professionele graveurs als Marcantonio Raimondi (c. 1475–vóór 1534) en Lucas van Leyden (1489–1533), die begin zestiende eeuw op koper wilden etsen, gebruikten daarom waarschijnlijk salpeterzuur. Zoals de beschikbaarheid van papier mede voorwaarde was voor het ontstaan van de graveer- en etskunst, zo is ook de ruimere beschikbaarheid van salpeter (kaliumnitraat) waarmee salpeterzuur werd gemaakt bepalend geweest voor het ontstaan van de etstechniek. En salpeter is voor de productie van buskruit essentieel. Het toenemend gebruik van vuurwapens (en de daarmee groeiende productie van buskruit en dus van salpeter) in de Europese oorlogsvoering vanaf de vijftiende eeuw heeft aan de ontwikkeling van de etstechniek bijgedragen, stelt Stijnman.

Zwarte pigmenten

Zoals hij recepten door de eeuwen heen voor bijtende stoffen geeft, behandelt Stijnman in zijn boek ook historische recepten voor drukinkt. Inkt voor diepdruk is inkt op oliebasis, dat wil zeggen sterk verhitte lijnolie samengewreven met een kleurstof. Zwarte pigmenten zijn meestal gemaakt van verkoolde pitten, botten, ivoor of ander organisch materiaal. De korreltjes kleurstof in inkt voor diepdruk moeten niet al te fijn zijn, want anders blijft de inkt niet in de geëtste groeven zitten. Stijnman staat uitgebreid stil bij het zwarte pigment dat tussen 1600 en 1900 het populairst was bij diepdrukkers: Frankfurt zwart. Het kwam uit de West-Duitse wijnstreek rond de rivier de Main ten oosten van Frankfurt, waar de droesem, het bezinksel na de productie van witte wijn, verkoold en vermalen werd tot een zwart poeder. Dit bleek een ideaal pigment voor diepdrukinkt. Het is fijn genoeg om te voorkomen dat de koperplaat niet te snel sleet bij het ininkten en afslaan, maar gaf ook diepzwarte afdrukken. Daarmee kon men van gravures dus hoge oplagen in goede kwaliteit drukken.

De opkomst van de fotomechanische reproductietechnieken heeft de handmatige graveer- en etskunst rond 1900 enorm veranderd. Toch is voor de huidige ontwikkeling van de reproductie van beeld vooral de manuele diepdruk van belang geweest. De basis voor fotomechanische kleurendruk, die nu – in deze krant bijvoorbeeld – gebruikt wordt, vindt zijn oorsprong in de diepdrukmethode die de graveur Jacque Christoph Le Blon (1667–1741) tussen 1705 en 1710 in Amsterdam ontwikkelde, waarbij de kleuren in de uiteindelijke prent opgebouwd worden uit blauwe, gele, rode en zwarte inkt, elk van een aparte plaat gedrukt. Stijnman heeft met deze omvangrijke studie een nieuw internationaal standaardwerk voor de geschiedenis van de manuele diepdruk geschreven. Hij gaat zich nu verdiepen in de historie van de kleurendruk.

Ad Stijnman, Engraving and Etching 1400-2000: A History of the Development of Manual Intaglio Printmaking Processes, London: Archetype Publications in Association with Hes & De Graaf Publishers (Houten), 2012, xiv + 658 p., 303 afb. ISBN 978-1-904982-71-5 Prijs: € 150,-