Wat moet die crimineel op ons voetbalveld?

Een werkstraf, dat is toch iets met papier prikken? Of schoffelen? In elk geval een gemakkelijke manier om onder gevangenisstraf uit te komen? Impressie vanaf vier plekken in Nederland.

Ragger Dam is bestuurslid van voetbalvereniging EHS ’85 en begeleidt al jaren taakgestraften. De vrijwilligers van de club krijgen bij de lunch hamburgers en braadworst, de taakstraffers niet.

Noord-Holland:

‘Ze noemen mij een draaideurcrimineel’

Jutland (44) rolt zijn shagje wel binnen. Met twee schapenwollen mutsen op zijn hoofd werpt hij af en toe een bezorgde blik naar buiten, zijn ogen dichtknijpend tegen de helwitte sneeuwvlokken die vallen. Een paar maanden geleden kreeg hij negentig uur werkstraf voor een winkeldiefstal. Het is zijn twintigste, schat hij. „Ze noemen mij een veelpleger. Of een draaideurcrimineel.” Dit keer werd hij gepakt met een niet betaald pakje vleesbeleg onder zijn trui: „Cervelaat. Ik leef op straat en dan krijg je geen uitkering, omdat je geen vast adres hebt. Toen dacht ik: willen jullie me niet helpen, dan wacht maar. Toen ben ik alle winkels langsgegaan.”

In een schuur van Staatsbosbeheer staat hij vandaag onder leiding van werkmeester Willem Brakeboer (55) in de Wieringermeer rieten matten voor eendenkooien te maken. Brakeboer, oud-politieman, heeft een topdag. Het sneeuwt! Barre weersomstandigheden zijn goed voor het groepsgevoel en de eigenwaarde dus ja, hoe kouder, hoe beter. „Samen afzien en de elementen trotseren. Machtig vinden ze dat. Dat jochie komt dan weer naar boven en de gedachte: ik ben nog wel een échte oerman en niet zo’n slappe zak. Voor je innerlijke man is dat goed.” Glunderend: „Het is hier soms net een jongensboek.”

Mark (23) kan het enthousiasme van Brakeboer moeilijk delen. „Kut dat ik me hier iedere dag moet melden.” Mompelend vertelt hij dat hij een werkstraf van zeventig uur kreeg voor het meermalen rijden zonder rijbewijs en hoe hij het voor de zoveelste keer met een politieagent aan de stok kreeg. „Ik had niks gedaan.” Brakeboer: „Mark is een jongen die zich op de rand begeeft. Hij heeft al jaren een Wajong-uitkering, is veel betrokken bij vechtpartijen, blowt veel. In dit geval mag de politie zich het ook aanrekenen. Je helpt zo’n jongen niet door hem meteen in te rekenen.” Hij slaat Mark op zijn schouder: „Er zit wel wat goeds in deze jongen, je moet het alleen even weten te vinden, hè Mark?” Mark grijnst en kijkt naar de grond: „Even zoeken nog.” Brakeboer: „Verbeter de wereld, begin bij jezelf.”

Later komt Brakeboer op het gesprek terug: „De meeste gasten die hier komen, weten niet wat het is om te werken. Ze hebben een vlak leven: missen een maandaggevoel, een woensdaggevoel, een weekend. En dan proberen ze emotionele bevrediging te krijgen en dan gaan ze kloten. Sommigen maken hier een product, krijgen een schouderklopje en zijn trots op wat ze doen. Anderen nemen het mee, die worden schilder of hovenier.”

Jutland is er nog niet zo zeker van: „Een ongeluk zit in een klein hoekje, foute dingen blijf je toch doen. Dat heb je met mensen zoals ik.”

Rotterdam: ‘Ze zien ons als criminelen, dat zijn we toch ook?’

‘Net op het randje”, noemt onderhoudsspecialist Richard Dijkman (47) de situatie bij de RET. En nee, dan doelt hij niet op de bezuinigingsrondes die het Rotterdamse vervoersbedrijf al jarenlang teisteren. Laatst nog, zaten die taakgestraften met zijn allen buiten tegen de muur van de remise aan, in hun blote bast met de oogjes dicht, van het zonnetje te genieten. „Toen zijn we er toch wel iets van wezen zeggen. Ze zitten er niet voor niets. Ze moeten wel werken.” Veel collega’s vinden het geen lekker gevoel, „met die gasten op hun werkplek”: „Als er eentje is doorgedraaid, weet je niet wat er kan gebeuren. Je weet niet wat ze gedaan hebben.”

Volgens Frans Linnenbank (55), teamchef verzorgend onderhoud en coördinator van de tien taakgestraften die hij wekelijks aan het werk moet zien te houden, is het allemaal schromelijk overdreven: „Laatst stond er zo’n blauw karretje met spiksplinternieuw gereedschap. Komen we de volgende ochtend hier: heel dat karretje leeg. Ja, dat had een taakgestrafte natuurlijk weer gedaan. Bleek dat-ie ’s nachts was leeggehaald. Dat moet dus iemand van de RET gedaan hebben, want taakgestraften lopen hier ’s nachts niet rond.” Een andere keer was er een camera uit een jaszak verdwenen: „Dat hadden wij ook gedaan. Later werd hij teruggevonden: zat-ie in een andere jas.”

Tot voor kort deelden de taakgestraften een kantine met de RET, maar dat ging niet goed. „Er wilde er eentje niet betalen. Nu zitten we buiten, in een illegale keet; eigenlijk mag er niks staan.” Dijkman: „Het is niet specifiek de opzet geweest om ze daadwerkelijk buiten te zetten, maar we vinden het gewoon niet zo leuk als we in onze pauze in onze kantine zitten en er is gedoe over betalingen of rottigheid tussen de taakgestraften.”

Heftruckchauffeur Jeffrey (20) kan er niet zo mee zitten. Hij is al lang blij dat hij zijn werkstraf van 240 uur voor een inbraak niet in de buurt van zijn vrienden of zijn nieuwe baas hoeft uit te voeren. „Dat ze hier geen goeiemorgen zeggen, vind ik niet zo erg, als ze me maar niet herkennen.” ‘Mo’ (19, 160 uur voor mishandeling), snapt wel waarom hij niet in de kantine mag eten. „Ze zien ons als criminelen. Dat zijn we toch ook? Dadelijk slaan we iemand van de RET neer.”

Dijkman blijft zijn best doen: „Ik kan me voorstellen dat er collega’s zijn die zoiets hebben: een taakgestrafte, die hoeft geen goeiemorgen. Voor mij is het niet zo. Een goeiemorgen is een goeiemorgen, ook voor een taakgestrafte.”

Emmerschans: ‘Ze eten niet met de vrijwilligers, verschil moet er wezen.’

Twee keer per week maakt Ragger Dam (63) een foto van de plank waar de zoetigheid is uitgestald. Als de Marsen, Twixen, Bounty’s en Chupa Chups er aan het eind van de dag nog precies hetzelfde bij liggen, weet hij weer waar hij aan toe is. Eigenlijk is het niet nodig, want foute bedoelingen ruikt hij al van een kilometer afstand: „Als ze er omheen lopen te draaien, weet ik genoeg.”

Hij doet het al jaren, het begeleiden van ‘taakstraffers’. Hij moet ze nog wel eens in bescherming nemen tegen leden van de club. „Wat moet die crimineel hier op ons voetbalveld, roepen ze dan.”

Met zijn 35 jaar ervaring als bestuurslid bij voetbalvereniging EHS ’85 weet hij inmiddels wel hoe hij daarop moet reageren: „Die mensen hebben een foutje gemaakt, zeg ik dan, dat kan gebeuren, ga daar dan ook op een positieve manier mee om. Ze zijn al gestraft.”

Maar mild is hij allerminst, laat dat even duidelijk zijn. Hij maakt groot onderscheid tussen de taakstraffers en de maandagploeg, de vrijwilligers die de velden en het clubgebouw onderhouden. Zij krijgen bij de lunch hamburgers en braadworst, de taakstraffers krijgen dat niet. Ze eten ook niet samen. „Dat is misschien gemeen, maar zíj hebben wat uitgevreten en de maandagploeg niet. Verschil moet er wezen.”

‘Jan’ (43), een forse man, ploft buiten op een houten picknickbank en begint aan zijn meegebrachte boterhammen. Hij heeft de hele ochtend zand staan scheppen en kruien voor een nieuw terras. Zijn T-shirt is er nog nat van: „Het zwaarste wat ik normaal til, is een pen. Maar ik vind het terecht. Je moet wel weten waarom je het moet doen.”

Hij vindt het geen probleem om zijn brood niet in de kantine op te eten: „De maandagploeg is hier vrijwillig en wij zijn hier met een reden.”

De rechter veroordeelde hem voor fraude. „De directeur van het financiële bedrijf waar ik werkte, had geld van cliënten achterovergedrukt voor zichzelf en ik zou daarvan geweten hebben. Dat was niet waar, maar ja, het ging om drieënhalve ton, dus er moest iemand gepakt worden.”

Hij schaamt zich er ‘ongelofelijk’ voor. „Mijn broers, mijn ouders en schoonouders weten het wel, maar de buren niet. Dat heeft vooral te maken met het stempel dat je krijgt opgedrukt van de maatschappij: eens een dief altijd een dief. En dat terwijl ze niet eens weten wat er aan de hand is.”

Kerkrade: ‘Ik heb hier wel mijn tas staan, die houd ik dus in de gaten’

Hilariteit op de afdeling voor jong dementerenden in verpleeghuis Lückerheide in Kerkrade. Een van de bewoners sjokt al de hele ochtend op en neer door de gang, de blik op oneindig, dwars over het plastic zeil dat de vloer moet beschermen, over de nog natte deksels van de potten met verf die openstaan.

Het zorgt voor lachsalvo’s onder de groep werkgestraften die plinten staat af te plakken en met verfrollers in de weer is. „Hee Sjokkenhauer”, wordt er geroepen als hij langskomt. Verzorgende Paula Wit (49) moet er niets van hebben: „Bedoelen ze mijn bewoner daarmee?” Ze wordt boos: „Het zijn kwetsbare mensen, als ik merk dat ze belachelijk gemaakt worden, dan zeg ik er iets van.” Uiteindelijk vraagt ze werkmeester Peter de Klein (52) voorzichtig of de radio zachter mag. Dat gebeurt, maar de irritatie blijft: „Wij zijn geen disco. Er ligt iemand te rusten en dan zetten ze de radio zo hard.”

Heel veilig voelt Wit zich ook niet: „Als je dan hoort wat ze allemaal op hun kerfstok hebben: mishandeling, inbraak, diefstal. En die lopen hier dan op de afdeling rond. Ik heb hier wel mijn tas staan. Die houd ik dus in de gaten.” Gelukkig gaat het ook wel eens anders: „De vorige keer hadden we een goede groep, ze waren heel secuur en leverden mooi werk af.”

De sfeer onder de vijf werkgestraften die de laatste keer op de afdeling rondliepen, was inderdaad een stuk rustiger. Daar zorgde de onbereikbaarheid van de wandelende bewoner vooral voor ongemakkelijke stiltes en hulpeloze blikken van degenen die aan het werk waren. De Marokkaanse jongen wiens aanwezigheid blijkbaar een magnetische uitwerking had op een bewoner die keer op keer tegen hem aan ging staan, stak na verwoede pogingen hem te ontwijken uit wanhoop zijn beide armen in de lucht. Tevergeefs.

Ans van Hoesel (57), die in Lückerheide als cliniclown werkt, ziet het vaker: „Ze durven ze niet echt aan te kijken.” De straf in het verpleeghuis is een goede straf: „Het is goed dat ze ergens komen waar ze mensen zien die het moeilijk hebben, dat ze zien dat er ook nog andere dingen spelen in de wereld.”

De komst van de werkgestraften was een idee van directeur Math Gulpers: „Iedereen verdient een tweede kans. Het zou zomaar kunnen gebeuren dat ik de fout in ga en dan hoop ik ook dat ik met respect behandeld word.” De keuze om ze in dezelfde ruimte als patiënten en personeel hun werkstraf te laten uitvoeren, was een moedige, vooral in het begin: „Er waren behoorlijk wat vooroordelen die we moesten doorbreken.”

Gulpers stelt wel eisen: „Ze moeten gevoelig zijn voor de sfeer en mogen geen agressie uitstralen.” En een voordeel: „We maken nu minder kosten. Zonder de reclassering zouden we maar één keer in de tien jaar kunnen schilderen, dat kan nu vaker.”

Dit artikel is gesubsidieerd door het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

    • Marianne Lamers
    • Jerry van der Weert