Red de Hollandse botheid Red de Hollandse botheid

De Nederlandse botheid gedijt alleen nog waar we ons veilig voelen. Elders heersen vooral de alfamannetjes en de angstaanjagers, betoogt Herman Vuijsje. Pagina 2-3

We zingen met nauw verholen zelfvertedering de lof van onze botheid, schrijft Herman Vuijsje.

I am Dutch, so I can be blunt. Dat was het standaardzinnetje van toenmalig minister De Jager (Financiën, CDA) als hij in Brussel zijn zin wilde doordrijven. Nederlanders beroemen zich erop dat ze zich niet de kaas van het brood laten eten en rechtuit zeggen waar het op staat. We zingen met nauw verholen zelfvertedering de lof van onze botheid.

Letterlijk gebeurde dat in het Postbankliedje uit 1996, over die vijftien miljoen mensen die je „niet de wetten voorschrijft” in het „land wars van betutteling”. Heel Nederland zwolg erin, het werd een topéénhit.

Zestien jaar later spreekt onze premier van een ander Nederland: een land waar „niemand wil wonen”. Een land dat kapot dreigt te gaan aan precies die eigenschappen die in 1996 werden verheerlijkt. Botheid wordt een privilege dat enkelen zich toe-eigenen, terwijl de tegenspraak van anderen wordt gesmoord in angst. Op straat, in de bus, op het voetbalveld houdt iedereen z’n mond als het misgaat.

Is er dan nergens meer plaats voor die oer-Hollandse recht-voor-zijn-raapheid van ons?

Op het werk! Op de werkvloer koesteren we nog ons eeuwenoude antihiërarchisch sentiment. Daar doen wij niet aan strijkages en pluimstrijkerijen zoals de Fransen, hebben we een broertje dood aan de kadaverdiscipline die je in Chinese bedrijven vindt en moeten we een beetje grinniken om de formeel-hiërarchische verhoudingen op de Engelse en Duitse werkvloer.

Wij zijn uit ander hout gesneden: we spreken gerust de baas tegen als we het beter denken te weten. Recht in z’n gezicht – en hij is er nog blij mee ook, want het komt de productiviteit ten goede. Dat beeld duikt standaard op in instructieboekjes voor buitenlanders, zoals Dealing with the Dutch: „Buitenlandse managers die een Nederlandse secretaresse krijgen, moeten we waarschuwen. Bevelen uitdelen werkt hier niet.”

Maar klopt het ook? Was het maar waar! Dan waren ons de talloze gevallen van disfunctioneren en grotesk graaiwerk in ziekenhuizen, onderwijsinstellingen en woningcorporaties bespaard gebleven. Dan hadden veel eerder medewerkers hun mond opengedaan en aan de bel getrokken. In werkelijkheid woekeren misstanden vaak jaren voort, onder een deken van stilzwijgen. De enkele eenzame klokkenluider wacht in Nederland een notoir droevig lot.

Bij buitenlandse waarnemers is deze botsing tussen beeld en werkelijkheid niet onopgemerkt gebleven. Op de eindeloze Nederlandse vergaderingen „wordt niet goed gediscussieerd, omdat men altijd aardig voor elkaar wil blijven”, constateerde de Duitse Kristin Feireiss al in 1996, toen zij directeur was van het NAi.

„Op vergaderingen wordt twee uur om het thema heen gekletst, voordat men to the point komt”, beaamde haar landgenote Ruth Siegel in het boek Een teken voor de toekomst. Zij was twee jaar lang vrijwilliger in Herinneringscentrum Kamp Westerbork en constateerde: „In Duitsland wordt veel directer gesproken, zaken worden kritisch uitgesproken, zonder dat het onmiddellijk persoonlijk wordt uitgelegd.”

Ook onder wetenschappers zijn het vooral buitenlanders geweest die onze veronderstelde eigenzinnigheid van vraagtekens hebben voorzien. De Amerikaanse socioloog Derek Phillips, de Franse historicus Christophe de Voogd, de Belgische schrijver Geert van Istendael en de uit Suriname afkomstige socioloog Ruben Gowricharn – allemaal wezen zij op de sterke conformistische onderstroom in de Nederlandse samenleving.

Oók op het werk. Schik je altijd naar de groep. Toon initiatief, maar val niet te veel op. Laat niet het achterste van je tong zien. Neem geen risico’s. Zo omschreef Ruben Gowricharn in zijn boek Tegen beter weten in de gedragscode waaraan Nederlanders zich houden op de werkvloer.

Berust dat geliefde Nederlandse zelfbeeld dan helemaal op gebakken lucht? Dat ook weer niet. Nederlanders kunnen wel degelijk bot en op de man af zijn. Thuis, bijvoorbeeld. Sophie Perrier, correspondente voor het Franse dagblad Libération, constateerde in haar boek De mannen van Nederland dat Nederlandse mannen thuis pijnlijk eerlijk zijn: je krijgt als vrouw te horen dat je Nederlands stukken beter kan en dat hij je nieuwe jurk niet mooi vindt!

Maar als er belangen en posities in het geding zijn, zoals op het werk, dan blijken Nederlanders even gevoelig als ieder ander voor de verleidingen van een angstig conformisme. Voordat we een standpunt innemen of actie ondernemen, geven we ons terdege rekenschap van wat anderen doen en denken. ‘Rekenschap’ in de letterlijke betekenis: we calculeren de voor- en nadelen.

Experimenten van de Amerikaanse sociaal-psychologen Solomon Asch en Irving Janis hebben aangetoond dat veel mensen zich conformeren aan de meerderheid in een groep, zelfs als de opvatting van die meerderheid evident onjuist is. Zulke processen van groupthink treden het heftigst op als de groep onder druk staat.

In Nederland voldoen de organisaties die steeds in het nieuws zijn vanwege machtsmisbruik en fraude – semi-openbare dienstverlenende instanties – bij uitstek aan dat beeld. Zowel de leiding als het personeel staat er onder grote spanning in een context van onzekerheid. Diverse ontwikkelingen lijken samen te werken en elkaar op een uiterst ongelukkige manier te versterken.

Sinds de jaren negentig, toen het marktdenken aan zijn opmars begon, zijn veel zorginstanties ‘hybride’ geworden: ze dolen rond in het schemergebied tussen markt en overheid. Het Rijk speelde de zeggenschap als een hete aardappel in handen van de besturen, zonder te zorgen voor een efficiënte verantwoordingsstructuur.

Tegelijk werd in hoog tempo overgeschakeld van collectief naar directief bestuur. Tot de jaren negentig heerste bij de Nederlandse (semi-)overheid een zwaar overdreven vorm van collectief leiderschap, waarbij niemand de baas mocht zijn, helemaal conform dat Postbankliedje: „Geen chef die echt de baas is...” Daarna zijn we in recordtijd doorgeslagen naar het andere uiterste: een CEO-model zonder behoorlijke checks-and-balances, dat kwetsbaar is voor machtsmisbruik.

Leidinggevenden staan bovendien onder een hoge prestatiedruk: het oprukken van de markt noopt hen tot afslanken en stroomlijnen. De onzekerheid werd nog verder aangewakkerd door de reeks van fusies en ‘opschalingen’. Als klap op de vuurpijl komt daar nu de bezuinigingsnoodzaak bij, en de onduidelijkheid over de houdbaarheid van zorgarrangementen.

Werknemers krijgen boven op dit alles nog te maken met afkalvende arbeidsvoorwaarden en meer flexcontracten. Hun levensonderhoud staat op het spel. Als ze al geneigd waren hun mond open te doen tegen de baas, laten ze dat nu echt wel uit hun hoofd. De norm die Ruben Gowricharn ontdekte, krijgt in deze omstandigheden extra gewicht: blijf zitten waar je zit, verroer je niet en wacht op betere tijden.

De onderzoeksrapporten over ziekenhuizen, scholenkoepels en woningcorporaties waar het misging, zijn bijna eensluidend. Een grote baas, autoriteit op zijn vakgebied, profileert zich als alfamannetje en eigent zich de macht en het geld toe. Er ontstaat een angstcultuur, waarbij niemand hem een strobreed in de weg durft te leggen.

Een simpele invuloefening volstaat om de processen achter deze angstcultuur ook te herkennen in de gebeurtenissen op straat en op het voetbalveld. Ook daar zijn de angstaanjagers mannen, jonge in dit geval, die zich privileges hebben toegeëigend waar zij geen recht op hebben. Eén van die privileges is dat ze je kapot kunnen maken. Op het voetbalveld letterlijk, door je in elkaar te slaan als je moeilijk doet. In de directiekamer van de raad van bestuur door je werk- en brodeloos te maken als je tegenspraak biedt.

Wie zijn de angsthazen in deze angstcultuur? In het ene geval zijn het de vaders en andere toeschouwers langs de lijn die zelfs te beroerd zijn om de politie te bellen als het erop aankomt. In het andere geval de collega’s en ondergeschikten die hun mond houden terwijl het misgaat met het bedrijf.

Wat is de voedingsbodem voor die angstcultuur? Onzekerheid, die uitnodigt tot machogedrag. Waarschijnlijk voelden de jongens die grensrechter Richard Nieuwenhuizen doodschopten zich door hem benadeeld, zei Dirk Jan de Jong, onderzoeker van de straatcultuur in Amsterdam Nieuw-West, in de Volkskrant van 6 december. Als je dan niet meteen van je afbijt, ben je een mietje. En als er dan niemand is om die jongens te corrigeren, kan het uit de hand lopen.

IIn de burelen van onderwijskoepel Amarantis ging het niet veel anders, zoals ex-docent Martin Slagter ervoer. „Je solliciteert naar je ontslag”, beet bestuursvoorzitter Leo Lenssen collega’s met een afwijkende mening toe. Het werkte: schooldirecteuren die met hem en zijn malverserende medebestuurders aan tafel zaten, hielden hun mond.

In het ene geval straatjongens die hun penibele maatschappelijke vooruitzichten met een kort lontje compenseren. In het andere CEO’s die onder zware druk staan om te scoren. In het ene geval de kanslozen, de buitenstaanders, in het andere de topdogs. In beide gevallen het afglijden naar machtsmisbruik en een meerderheid die de andere kant op kijkt zolang er geen duidelijke grenzen worden gesteld.

In zijn ‘In zo’n land wil niemand wonen’-verklaring van vorige week zei premier Rutte dat het beteugelen van voetbalgeweld in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van ouders en sportclubs is. Maar de onzekerheid waarin angstaanjagers vrij spel krijgen en angsthazen wegkijken, is breder dan het veld alleen. Ze doet zich ook voor bij de verweesde instanties van openbare dienstverlening en op andere gebieden waar de overheid zich heeft teruggetrokken zonder de boel behoorlijk achter te laten.

Er is reden om wat bescheidener te zijn over die legendarische botheid van ons. Ze blijkt vooral te gedijen waar we ons veilig en zeker voelen. Waken over die veiligheid en zekerheid is een taak van de overheid. Van een overheid die zich juist niet bescheiden opstelt.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.