Perk die enorme keuzevrijheid in

Keuzevrijheid leidt niet alleen tot ontplooiing, betoogt Esther van Fenema.

Foto Istock

In Nederland heerst de opvatting dat iemands geluk voor een belangrijk deel afhankelijk is van zijn of haar optimale keuzevrijheid. Toch zou het blijven meedeinen op de onaantastbare mantra dat ongelimiteerde keuzevrijheid altijd en voor iedereen het beste is weleens synoniem kunnen zijn aan verwaarlozing. Dit reduceert in de praktijk juist de kans op geluk.

Als psychiater zie ik Robin, een man van 27 jaar oud. Hij is aangemeld door de huisarts. De laatste tijd is hij toenemend somber. Hij komt tot weinig in zijn leven, is te dik, draagt een verwassen T-shirt, ruikt onverzorgd en maakt een passieve indruk. Op de vraag „wat kan ik voor u doen?”, antwoordt hij: „Ik zou me graag gelukkig willen voelen.”

„Wat hebt u daarvoor nodig?”, is mijn simpele wedervraag. Deze vraag leidt tot een ongemakkelijk stilzwijgen.

Nadat ik een depressie of andere psychiatrische aandoening heb uitgesloten, opper ik: misschien moeten we eens kijken naar zaken zoals huisvesting, dagbesteding, werk en sociale contacten. Hij kijkt me ongelovig aan en vraagt cynisch of ik denk dat de oplossing zo simpel is. Toch blijkt dat mensen vaak gelukkiger of minder ongelukkig zijn als deze basale behoeften op orde zijn.

Robin leeft van een uitkering, „omdat werken toch bijna hetzelfde oplevert”. Het overgrote deel van de tijd besteedt hij aan online gamen. Financieel gaat het niet goed. Hij heeft schulden, doordat hij op afbetaling te dure apparatuur heeft aangeschaft. Omdat hij ’s morgens niet hoeft op te staan om te werken, blijft hij vaak lang in bed liggen. Hij heeft geen relatie en komt nauwelijks in contact met anderen. Zijn overgewicht wordt veroorzaakt door een slecht voedingspatroon en gebrek aan lichaamsbeweging. Hij ervaart gevoelens van leegte en waardeloosheid en is vaak neerslachtig. Kortom, Robin zit niet lekker in zijn vel en is niet gelukkig.

Geluk wordt vaak gedefinieerd als ‘tevreden zijn met de huidige levensomstandigheden’. Tot circa twintig jaar geleden werden kinderen opgevoed met de boodschap dat het belangrijk was om een goede opleiding, baan en gezinssituatie te creëren. Tegenwoordig lijken abstracte begrippen als ‘zelfverwezenlijking’, ‘gelijkheid’ en ‘vrijheid’ voorwaarden voor geluk.

Neem het begrip ‘vrijheid’. In de praktijk wordt meestal keuzevrijheid bedoeld. Dit is een elitair begrip. Om de gevolgen van keuzes te kunnen overzien, is een minimale intellectuele capaciteit nodig en het vermogen om de ratio op het juiste moment in te zetten, om emoties en impulsen het hoofd te bieden.

Bij mijn patiënt heeft keuzevrijheid helaas niet geleid tot zelfontplooiing. Robin is in zijn leven geconfronteerd met een scala aan keuzes. Hiervan kon hij de gevolgen niet goed overzien. Hij werd geregeld gestuurd door zijn impulsen. Zijn keuze om niet te werken, resulteerde in een gebrek aan dagstructuur, het ontbreken van sociale contacten en een zwakke identiteit. Ook zijn financiële problemen en zijn slechte lichamelijke conditie zijn directe gevolgen van suboptimale keuzes.

Het verhaal van Robin is niet uniek in Nederland. Dergelijke keuzes hebben onontkoombaar ook maatschappelijke gevolgen.

Kinderen wordt vaak een kader geboden waarbinnen ze mogen kiezen. Ze hebben nog onvoldoende capaciteiten om de juiste keuzes te maken. Door een beperking van de keuzevrijheid wordt het risico op een onaangename ervaring beperkt. Dit leidt tot een groter gevoel van overzicht en controle, een sterker zelfbeeld en een grotere kans op geluk. Nalaten een kind te beschermen tegen het maken van keuzes die hij niet kan overzien, wordt terecht gezien als verwaarlozing.

Volwassenen hebben daarentegen in principe volledige keuzevrijheid. Hen tegen het nemen van verkeerde keuzes beschermen, wordt gezien als paternalisme, totalitarisme en nog wat begrippen met een ongunstige connotatie.

Is het onderscheid ten aanzien van keuzevrijheid tussen kinderen en volwassenen reëel? Het inperken van keuzevrijheid bij volwassenen is een taboe, tenzij er sprake is van een duidelijke psychiatrische aandoening met risico op gevaar. Dan wordt iemand op staande voet zijn keuzevrijheid ontnomen.

Is het onderscheid tussen psychisch wel of niet gezond zo ondubbelzinnig te maken? Mijn patiënt had psychische klachten, maar voldeed niet aan de criteria voor een psychiatrische diagnose.

De discussie over het onderscheid ten aanzien van keuzevrijheid is van belang. De praktijk toont dat het taboe op de inperking van keuzevrijheid nadelige consequenties heeft, zowel op individueel als op maatschappelijk niveau.

Esther van Fenema is psychiater.