Misschien speelden ze indiaantje

In de Nieuwe Kerk is een expositie die vooral laat zien hoe we naar indianen kijken.

Vrouw, Klamath Tribe, 1923 Foto Edward S. Curtis, Library of Congress Collection

‘Een wild wijf met kind”, dat was, in 1566, de eerste indiaan in Nederland. Ze werd tentoongesteld in een Haagse herberg, zoals toen met mensen én dieren uit verre streken gebruikelijk was. Echte indianen waren er niet zo vaak, maar er waren ook boeken waarin indianen getekend en beschreven werden, bijvoorbeeld in een boek uit 1595 waarvan de titel luidt: „waarachtige historie eens lands in America wier inwoners wild, naakt, zeer goddeloos en wrede menseters zijn”.

Nu zijn er weer indianen te zien in Nederland, niet in een herberg, nu doet een kerk als tentoonstellingsruimte dienst, en niet echt, althans niet in levende lijve, maar gefotografeerd. Twee soorten foto’s hangen er in de Nieuwe Kerk, beide meer dan levensgroot. De eerste serie, afgedrukt op grote banieren, is vooral genomen door Edward S. Curtis, die met foto’s nog eens deed wat zijn voorbeeld George Catlin een halve eeuw eerder met schilderijen had gedaan: „het uiterlijk en de geschiedenis vast te leggen van een stervend volk dat zelf geen historici of biografen bezit”.

Toen Curtis zijn foto’s begon te maken, stonden de indianen er nog slechter voor dan in de tijd van Catlin; het is misschien wel een wonder te noemen dat de genocide niet helemaal is gelukt. Maar ze zijn er nog, de indianen, zoals op de tentoonstelling blijkt uit de serie foto’s die de Nederlandse fotografen Morad en Natasja Bouchakour dit jaar in opdracht van de Nieuwe Kerk van indianen maakten. Het zijn er zelfs meer: in het midden van de negentiende eeuw minder dan een miljoen, nu ongeveer 5 miljoen, wat nog steeds minder is dan de 9 tot 12 miljoen indianen die voor de komst van Columbus leefden in wat nu de Verenigde Staten zijn.

De foto’s van Curtis en de Bouchakours verschillen nogal, niet alleen in kleur en andere techniek, maar ook in de manier waarop de indianen zijn afgebeeld. Bij Curtis is dat zo ‘indiaans’ mogelijk, door zorgvuldig elke westerse invloed buiten beeld te houden. Nu gebeurt dat niet meer. Bij de Bouchakours toont alleen het uiterlijk, met enige goede wil, indiaanse trekken. Kleding en kapsel zijn meestal niet onderscheidend, en de twee jongens met hun veren hoofdtooi zien eruit alsof ze die speciaal voor de foto hebben opgezet. Maar misschien was dat met de door Curtis gefotografeerde mensen ook wel zo. Indianen waren de eersten die indiaantje speelden.

Een van de meest ongelooflijke aspecten van de indiaanse geschiedenis is juist hoe dicht wat wij zien als échte geschiedenis en beeldvorming op elkaar zitten. De Wild West Show van Buffalo Bill trok rond in Amerika en Europa sinds 1883, al jaren voor Curtis begon te fotograferen. De Indian Wars waren nog niet beëindigd. De foto’s van Curtis tonen indianen zoals ze eens geweest kunnen zijn, of zoals we willen dat ze eens geweest zijn. Pure indianen bestaan niet; de stammen van de prairies die in de beeldvorming de grootste rol hebben gespeeld, werden pas mogelijk na Columbus: paarden waren er niet in Amerika in 1491.

Het hart van de tentoonstelling in de Nieuwe kerk zijn geen foto’s maar dingen. De samenstellers van de tentoonstelling hebben gezocht naar indiaanse tradities die de Columbian Exchange herkenbaar zijn doorgekomen. Het gaat om artistieke tradities uit zeven gebieden, waaronder borduurwerk van stekelvarkenstekels uit het grote merengebied, mandvlechtwerk uit Californië en houtsnijwerk uit de noordwestkust. Uit een aantal stukken blijkt de arrogantie van de westerse bewering dat indianen geen geschiedenis of geen historici bezitten.

In de kerk is bijvoorbeeld een wintervertelling te zien, een doek waarop elk voorjaar de belangrijkste gebeurtenis van dat jaar werd getekend. Sommige tradities zijn zo veranderd dat je je kunt afvragen of je nog van een dezelfde traditie spreken kunt of dat het eerder om invented traditions gaat. Meestal is het kitsch, geen kunst. De oudste Inuit-beeldhouwkunst op de expositie dateert uit de jaren vijftig van de vorige eeuw. Eerder werden zulke beelden niet gemaakt. Jagers sneden wel afbeeldingen in harpoenen en andere gebruiksvoorwerpen van walrusivoor. Kunst als deze van de Inuit werd en wordt vooral voor toeristen gemaakt. Werk van kunstenaars die in de westerse kunstwereld gewaardeerd worden, zoals dat van Jimmie Durham, die dit jaar een groot retrospectief had in het Museum voor Hedendaagse kunst in Antwerpen, of Brian Jungen, die deze zomer furore maakte op de Documenta, is op de tentoonstelling niet te zien. Ook het werk van Tom Jones ontbreekt, een fotograaf die juist laat zien hoe het hedendaagse beeld van indianen door oude foto’s is beïnvloed. Volgens Jones is er in Amerika een kloof ontstaan tussen kunstenaars die zich beroepen op hun indiaanse afkomst en kunstenaars die hun afkomst liever minimaliseren of zelfs ontkennen. Die kloof wordt in de Kerk verbreed.

Indianen. Kunst & Cultuur tussen mythe & realiteit. Nieuwe kerk, Amsterdam, t/m 14 april. Inl. nieuwekerk.nl