Mijn vader zei: maak alsjeblieft je studie af Ik genoot pas van Paars 2

Als Els Borst zou willen sterven, bij ondraaglijk lijden, dan kan dat. Dankzij de wet waar zij zich als minister hard voor heeft gemaakt. Niet dat ze al wil, maar ze stelt nuchter vast: binnen nu en tien jaar gaat het gebeuren. Ze kijkt terug op haar leven en werk, met koggetjes en biscuitjes.

„Als er weer eens een minister ziedend de Trèveszaal was uitgelopen, zei Kok tegen mij: ga jij hem even terughalen.”

Een kleine villa aan de bosrand in Bilthoven, sober ingericht, jaren zeventig. Els Borst-Eilers (80) wijst me een plaats op de bank en presenteert koggetjes uit een trommeltje. Als ze zelf ook zit, zegt ze: „Begint u maar.”

Welke herinneringen dringen zich op als u terugkijkt op uw leven?

„Ah, u bedoelt dat ik in de reminiscentiefase ben.” Ze glimlacht, niet zonder zelfspot. „Als ik denk waar ik nu weer veel aan denk... dan is het aan de bezetting, aan de razzia waarbij onze benedenburen werden weggevoerd, in 1943. Ik was elf. We woonden in de Rivierenbuurt in Amsterdam, zij op tweehoog, wij op driehoog. Ik keek met mijn ouders langs de trap naar beneden en we zagen het gebeuren. Buiten liepen allemaal moffen en ook Nederlandse politieagenten, de types die gretig meededen en na de huiszoekingen sieraden in hun eigen zakken lieten glijden. Ze sloegen met geweerkolven op de voordeuren.”

U heeft eerder verteld dat u heeft moeten toekijken bij de executies op het Weteringcircuit.

„In maart 1945, ja. Door de honger liep ik niet zo heel kwiek meer naar school – ik zat op het Barlaeus – en toen werd ik in de kraag gegrepen door een Duitser. Hij trok me mee en riep: anschauen. Drie keer tien mannen. Ik heb mijn ogen dichtgedaan. Toen ik weer keek, lagen ze daar. Ik heb er dagen niet over kunnen praten. Maar die razzia was erger. Meneer en mevrouw Barends. Jonge mensen, ze hadden godzijdank nog geen kinderen. Op vrijdagavond voor sjabbat deed ik altijd het licht bij ze aan. Mijn moeder vond het onzin, maar mijn vader zei: dat is hun geloof, en als we elkaar gaan verketteren om ons geloof, gaat het mis in de wereld. Hij stond te huilen toen ze werden weggevoerd. Hij zei: die zien we nooit meer terug. Ik was boos. Ik zei: waarom hebben jullie hen niet verstopt? Hij zei: mijn lieve kind, ze waren toch gevonden en ik zou ook nooit meer teruggekomen zijn. Ik dacht: dan was hij in elk geval een held geweest.”

Werd hij een andere man voor u?

„Nee, want hij had het me goed uitgelegd. Kijk, hier...” Ze wijst naar de schuifdeuren en de kasten achter zich. „... kun je nog wel iemand verbergen, maar in dat huis in de Rivierenbuurt...”

Fantaseert u daarover, dat u mensen verbergt?

„Dat heb ik nog lang gedaan, ja.”

Wat waren uw ouders voor mensen?

„Mijn vader was een heel intelligente man, die graag had willen studeren. Maar zoals dat ging: na de hbs was hij gaan werken, op het kantoor van een matrassenfabriek. Hij las veel, Nietzsche en Kant, en dan zette hij streepjes in de kantlijn: mooi geformuleerd. Mijn moeder was huisvrouw. Ik was enig kind, want door de crisis konden mijn ouders zich geen tweede permitteren. Ik ben opgegroeid in een sfeer van acceptatie en waardering, en daar heb ik veel aan ontleend, allereerst zelfvertrouwen. In de Kamer, als ze me probeerden af te branden... hoe dúrft deze minister nog een dag langer aan te blijven... dan dacht ik niet meteen dat ik bij het oud vuil moest. Van mijn vader heb ik geleerd wat vergeving is. Een zuster van mijn moeder was NSB’ster. Ze ging als verpleegster naar het oostfront. Na de oorlog is ze veroordeeld, en toen ze vrij kwam, kon ze nergens heen. Mijn vader zei: nou, laten wij haar dan maar in huis nemen. Ze is fout geweest, maar ze heeft haar straf gehad en ze heeft niemand vermoord of verraden, dus klaar. Toen is ze bij ons in huis gekomen.”

Is ze lang gebleven?

„Min of meer eindeloos. Op een gegeven moment ging ze werken in een huis voor licht psychotische mannen, intern. Toen ze met pensioen ging, kwam ze terug. Achteraf gezien hadden mijn ouders de verpleging voor hun oude dag in huis gehaald, want ze is tot hun dood bij hen gebleven. Mijn moeder was naar de mulo geweest, maar ik zal niet zeggen dat ze niet intelligent was. Het was bij haar vooral praktisch. Zij las Ina Boudier-Bakker en Couperus. Toen ze begon te dementeren, zat ze nog altijd met Couperus op schoot.”

Hoe oud zijn ze geworden?

„Mijn vader 84 en mijn moeder 83, of andersom. Laten we zeggen: in de tachtig.”

Waren ze klaar om te sterven?

„Mijn vader had naast lezen nog een hobby en dat was wandelen. Op gegeven moment raakte hij verlamd, iets neurologisch. Toen zijn ogen ook slechter werden, was de lol er wel af. Hij werd opgenomen in de Valeriuskliniek en daar kreeg hij een maagbloeding. Ze gaven hem een bloedtransfusie. Hij zei: als ik het nog een keer krijg, laat me dan gaan. Maar die gereformeerde artsen daar zeiden: nee, dat doen we niet. We hadden toen nog geen Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Ze konden hem zonder zijn toestemming bloed geven. Hij kwaad, wij kwaad, en toen hebben we hem naar het Weesperpleinziekenhuis gebracht. Daar kreeg hij de tweede bloeding en toen is hij gestorven. Een mooie dood. Dat weet ik, want na mijn tweede bevalling heb ik ook een bloeding gehad. Je zweeft gewoon weg. Ik zweefde gelukkig weer terug.”

En uw moeder?

„Veel meer valt er over haar niet te vertellen. Ze kon goed koken en ze was altijd met het huishouden bezig. Een tevreden mens. Wel een beetje te dik, want ze at graag van wat ze zelf produceerde. Later zei ik wel eens tegen haar dat ze een beetje moest afvallen. Ze kreeg kleine hersenbloedinkjes en ze zei altijd: ik hoop dat ik op een dag gewoon omval, boem. Zo is het gebeurd.”

Welk jaar was dat?

„Nou moet ik toch de kalender pakken.” Ze haalt de verjaardagskalender uit de wc en begint te bladeren. „Eens kijken... Wim Kok... Die moet ik niet hebben... Het was in de zomer... Ik moet terugbladeren... Hans van Mierlo...” Dan: „In 1981. Op haar tweeëntachtigste.”

Bent u voorbereid op de dood?

„Ja, ja. Ik heb twee oude gymnasiumvrienden, die zijn dus ook tachtig en toen we elkaar laatst zagen, zeiden we: de komende tien jaar gaat het gebeuren. We weten niet waaraan en we weten niet wanneer, maar het gaat gebeuren. Toen ik vorig jaar borstkanker kreeg, dacht ik: dit zou het begin van het einde kunnen zijn.”

Was u er echt zo gelaten onder?

„Het was vervelend, maar het was geen drámá. Een jonge vrouw met kinderen die borstkanker krijgt, dat is een drama. Ik heb het zelf ontdekt, in juni, onder de douche. Ik ben toen netjes via de huisarts naar mijn oude ziekenhuis gegaan [het UMC in Utrecht, red.], naar Elsken van der Wall. Zo jammer dat het bevolkingsonderzoek op borstkanker er na je zeventigste niet meer is. Als de tumor eerder was ontdekt, was hij minder groot geweest. Ik had die controles op eigen kosten moeten doorzetten.”

Maar eigenlijk vindt u dat het bevolkingsonderzoek zou moeten doorgaan?

„Ja, waarom niet zolang iemand leeft? Ik doe niet geheimzinnig over mijn ziekte. Ik zeg gewoon: ik heb borstkanker gehad. Voltooid verleden tijd. Hoop ik. Ik ben twee keer geopereerd en na de eerste operatie is mijn dochter hier geweest. Ze is patholoog-anatoom. Na een paar dagen zei ze: ik ga weer, want als ik voor je wil koken, sta je al naast me. Na de tweede keer – de amputatie – kwam mijn oudste zoon. Die is verpleegkundige. Hij heeft me geleerd mijn drain steriel te houden. Ik kreeg bestraling en daar werd ik inderdaad zo heel raar moe van. Ik had dat vroeger ook wel gezien bij mensen, en het was niet zo dat ik dacht dat het aanstellerij was, maar nu weet ik dus hoe dat voelt.”

Heeft de ziekte u veranderd?

„Dat denk ik niet. Ik denk ook niet dat ik nu via de borstkanker op weg naar het kerkhof ben. Een op de negen vrouwen krijgt het en er zijn er zoveel die daarna gewoon doorleven. Laatst hadden we een reünie van het Paarse kabinet en van de elf vrouwen – de partners waren er ook bij – hadden er drie borstkanker gehad. We hebben gezellig samen de symptomen besproken.”

Bent u bang om dood te gaan?

„Ik accepteer het als een onvermijdelijk fenomeen, maar ik leef nog met veel plezier. Zoals mijn moeder, die zei dat ze er klaar voor was, dat heb ik helemaal niet.”

Hoe komen we nog op een nette manier aan ons einde, met zoveel behandelingsmogelijkheden?

„En wie gaat voor ons zorgen? Ik ben natuurlijk dé minister van de euthanasie en we hebben de wet destijds ontworpen voor de kankerpatiënt: lijdt ondraaglijk en gaat zeker dood, de gemakkelijke casus. Bij de psychiatrische patiënten en mensen met dementie wordt het ingewikkelder, en bij mensen met een voltooid leven is het nog ingewikkelder. Ik had het graag willen regelen, maar de Tweede Kamer wilde er niet van weten.”

U werd bijna weggestuurd toen u na het aannemen van de Euthanasiewet in deze krant ‘het is volbracht’ zei, Christus’ laatste woorden aan het kruis.

„En dat op de zaterdag voor Pasen. Het was een blunder, koren op de molen van de kleine christelijke partijen. De minister drijft de spot met ons. Dat was natuurlijk helemaal niet mijn bedoeling. Flauw om te zeggen, maar bij twee van de evangelisten waren het helemaal niet Christus’ laatste woorden.”

Dat heeft u opgezocht?

„Zeker. Ik heb een aantal bijbels hier in de kast en ook de concordantie. Toen ik nog medisch directeur van het AZU was [nu het UMC Utrecht] las ik met Kerst op de afdeling psychiatrie het Evangelie van Lucas voor. Bij sommige patiënten liepen dan de tranen over de wangen. Met mijn man ging ik elk jaar naar de Matthäus. Ik ken de tekst uit mijn hoofd.”

Wat te doen met demente mensen die zijn vergeten dat ze een wilsverklaring hebben?

„Het enige criterium is ondraaglijk lijden. De hele dag in paniek rondlopen, ik blijf hier niet, ik wil naar huis. Als er een wilsverklaring is, kun je iemand naar het einde helpen.”

Wanneer dan?

„Dat is inderdaad nog helemaal niet zo gemakkelijk. Hoe doen we het met mevrouw Jansen die dood wilde als ze haar dochter niet meer zou herkennen? Vandaag herkende ze haar dochter niet, dus vanavond dan maar? Morgen herkent ze haar dochter weer wel. Je hoopt dat mevrouw Jansen een longontsteking krijgt. Je hoopt dat er een niet-behandelverklaring is. In elk geval moet je je wilsverklaring elk jaar actualiseren en doorspreken met je huisarts: wat is een ondraaglijke toestand, wat is je schrikbeeld.”

Wanneer heeft u uw wilsverklaring zelf voor het laatst bijgewerkt?

„Meer dan een jaar geleden. Ik moet het nodig weer doen. Als u zo weg bent...”

Wat staat er ongeveer in?

„Ik ga uit van de standaardverklaring van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde en verder zeg ik er liever niets over.”

Bij het tweede gesprek, een week later, staat er een schaaltje met piepkleine biscuitjes op tafel. „Ik eet graag koekjes”, zegt Els Borst. „En zo is het niet zo erg.” Ze kijkt op haar horloge. „Aan het werk maar weer.”

Hoe kwam u in de familie Borst?

„Door mijn vriendin Hieke Borst. We deden allebei gymnasium bèta. Ze stelde me voor aan haar broer Jan, die twee jaar ouder was. Ze zei: dat is zo’n rotjoch. Toen ik ging studeren, kwam ik hem weer tegen. In 1954 hebben we ons verloofd en in 1955 zijn we getrouwd. We woonden in bij zijn grootouders in de Moreelsestraat. Dat was geweldig, want we konden zonder jas naar het Concertgebouw. Onze twee oudste kinderen zijn er geboren.”

Traditioneel.

„Het was ook geen issue of we wel of geen kinderen zouden krijgen. Je trouwde en dan kreeg je kinderen, en hoe het verder moest met werk en zo, dat zouden we wel zien. Mijn vader had me bij ons huwelijk toegesproken: er is zoveel in jou geïnvesteerd, lieve kind, maak alsjeblieft je studie af. Ik heb met kinderen krijgen gewacht tot na mijn artsexamen. Andra kwam op mijn achtentwintigste, ze is vernoemd naar mijn moeder. Andra is ook het eerste woord van de Odyssee.”

En het betekent ‘man’.

„In de vierde naamval, ja. Ze heeft er geen last van gehad. We vonden het fijn om onze kinderen te vernoemen. Dat vinden grootouders fijn. Dan ligt er zo’n kindje in hun armen...” Ze doet alsof ze een baby wiegt. „En dan denken ze: het leven gaat door.”

De vader van Jan was nogal een persoonlijkheid.

„Hij was een opmerkelijke figuur in de medische wereld, ook al omdat hij heel jong hoogleraar was. Hij had met twee andere artsen in het verzet gezeten. Zijn colleges op zaterdagochtend, altijd met een patiënt erbij, waren beroemd. Studenten uit Leiden en Groningen kwamen ervoor naar Amsterdam. Ik ging natuurlijk ook, anders zou hij op zondag bij het eten hebben gezegd: je hebt toch niet uitgeslapen? Zelf vond hij het de leukste dag van de week. De familie was heel eerzuchtig als het ging om intelligentie en het intellectuele.”

Waar kwam dat vandaan?

„Ik denk uit de frustratie van mijn schoonmoeder. Ze was tandarts en dat had ze opgegeven voor haar man en zes kinderen. Ze stortte zich helemaal op de rol van de vrouw van de professor. Elke ochtend belde ze naar zijn secretaresse, de andere vrouw in het leven van mijn schoonvader: professor komt eraan. En dan ging mevrouw Levi, zo heette ze, vast koffiezetten.”

Niet meer van deze tijd.

„Maar het was een schat van een man, al moest ik altijd wel een beetje om hem lachen. Drie van de vier zoons studeerden geneeskunde, maar ze durfden geen internist te worden, want dan zouden ze altijd met hem vergeleken worden. Jan en ik waren lid van een seksuologisch dispuut, bij Van Emde Boas. Die vond dat de medische seksuologie ten onrechte geen aandacht kreeg in de medische opleiding, waar hij gelijk in had, en die gaf elke veertien dagen op zaterdagmiddag gratis onderwijs. Dan waren er ook patiënten bij en we gingen een keer op excursie naar het COC. De eerste die ik daar zag was een oude leidster van mij bij de padvinderij. Ze zette haar biertje neer en rende weg. Zo zielig.

„Van Emde Boas nodigde me uit om bij hem in opleiding tot seksuoloog te komen, maar daar had ik geen zin in. Hij zei: je kunt zo goed luisteren. Ja, zei ik, dat moet elke arts kunnen. Ik ben geneeskunde gaan studeren vanuit mijn biologische belangstelling. Toen werd ik gevraagd voor de opleiding tot kinderarts en dat ben ik gaan doen. Maar na twee jaar werd ik zwanger en ik zag in dat het totaal niet te combineren zou zijn. Ik dacht: dan ga ik promoveren en dan zien we wel weer verder. Ik vond het jammer, maar het was niet: als ik geen kinderarts wordt, ga ik me verhangen.

„Het was een mooi vak. Je maakt mee dat kinderen doodgaan en dat ontroerde me zeer. Ze worden zo snel volwassen, ze kunnen er zo goed over praten. Die ervaringen hebben me zeer beïnvloed toen we het in de Tweede Kamer hadden over de leeftijdsgrens bij medische beslissingen. Ik heb eraan bijgedragen dat die grens bij twaalf jaar kwam te liggen.”

Uw man specialiseerde zich intussen wel.

„Hij deed eerst gynaecologie bij Kloosterman, maar hij was heel nauwgezet, zeg maar pietepeuterig, en dan zat aan het eind van de ochtend de wachtkamer nog halfvol, dus dat ging niet. Hij is in de microbiologie terechtgekomen en uiteindelijk werd hij hoofd bacteriële determinatie bij het RIVM.”

Hoe was uw relatie met hem?

„Kameraadschappelijk. Jan had veel behoefte aan een maatje. Samen tennissen, samen in de bergen wandelen.

De klassieke muziek, dat we een abonnement namen, dat was op zijn initiatief. De klassieke cultuur, samen naar Rome of Florence gaan, dat kwam door hem. En dan zat hij wel eerst de hele winter te lezen over de Medici, hè. Met de kinderen gingen we ’s zomers naar het Lago Maggiore. Dan was het de hele vakantie duiken en surfen, en wij zaten aan de rand van het water te lezen.”

Hoe ouderwets was hij?

„Op het gebied van de emancipatie zeker niet. Toen we naar Bilthoven waren verhuisd, heb ik drie jaar bijna niets gedaan. Mijn promotieonderzoek had ik afgebroken, Remmert was geboren en ik werkte wat op het consultatiebureau. Op een avond zei Jan: zou je niet weer eens aan het werk gaan, je conversatie wordt wel heel eenzijdig.”

En toen?

„Ben ik mijn onderzoek gaan afmaken, in het AZU, bij de Bloedbank.” Ze staat op om de koffiepot te halen en daarna zegt ze: „Mijn schoonvader vond Van Emde Boas maar een raar vies mannetje. Niet omdat hij niet van seks hield, maar omdat je het daar niet over had. Jan en ik hebben toen erg op hem ingepraat en dat had effect, want hij nam zitting in het curatorium dat Van Emde Boas tot hoogleraar seksuologie benoemde.

„Van Emde Boas heeft Kloosterman ook bekeerd. Die was eerst tegen geboortebeperking en abortus. Als je de lusten wilde, dan ook de lasten. Hij was toen nog vooral de arts van vrouwen uit de Beethovenstraat die kinderen krijgen énig vonden en genoeg geld hadden om hun te geven wat ze nodig hadden. De schellen vielen hem van de ogen toen hij in het Wilhelminagasthuis ging werken en vrouwen meemaakte die een abortus wilden omdat ze hun kind echt niets te bieden hadden.”

U bent al snel na uw promotie hoofd van de Bloedbank geworden en daarna medisch directeur van het AZU. Wilde u graag de baas zijn?

„Het is me altijd gevraagd om het te worden. Ik denk omdat ik vrij rustig van karakter ben, net als mijn ouders. Hoogleraren kunnen enorm ruzie maken en ze probeerden het ook wel met mij. Een medewerkster bij de Bloedbank was een keer in vliegende haast naar de OK gerend, haar jas los en daaronder een minirokje. De hoogleraar chirurgie belde me woedend op: mevrouw Borst, is dat een hoerentent die u leidt of de bloedtransfusiedienst? Ik heb de hoorn toen maar even een stukje bij mijn oor vandaan gehouden.

„De rode draad in mijn leven is dat mensen me ergens voor vroegen en dat dan mijn eerste reactie was: ik ben happy met wat ik doe, dus nee. Het werk bij de Bloedbank was goed te combineren met het gezin, maar toen vroeg het bestuur van het AZU me om medisch directeur te worden. Andere kandidaten eisten heel hoge salarissen en ze wilden dan ook nog twee dagen in de week hun particuliere praktijk houden. Jan zei: jij loopt maar te kankeren op de directie – dat doet iedereen altijd – dus doe het dan eens zelf. Mijn eis was dat ik wilde kunnen meebeslissen over de benoemingen van nieuwe hoogleraren. Ik zei: zet me gewoon in schaal 18, niks plus, maar als ik die bevoegdheid niet krijg, gaat het niet door. De eis werd ingewilligd en het was het begin van de samenwerking tussen de faculteit en het ziekenhuis. Ik ging me bezighouden met de toekomst van de academische ziekenhuizen en zo kwam ik in de picture van de Gezondheidsraad en de politiek.”

Waarom wilde u meebeslissen over die benoemingen?

„Vroeger waren artsen, en zeker hoogleraren, zelfbenoemde godheden. Ik herinner me een college – ik studeerde nog – waarin een vrouw met borstkanker werd gepresenteerd, ze wist zelf nog van niets. De hoogleraar zei: ja mevrouw, het is kanker, de borst moet eraf en dat gaan we morgen maar eens doen. Die vrouw viel zo flauw, bats, op de stenen vloer. Toen ik medisch directeur werd, wilde ik kunnen beoordelen of hoogleraren leiding konden geven en normaal met mensen omgingen. Inmiddels is er natuurlijk veel veranderd. Nu is het: de arts beslist samen met de patiënt. Jan heeft acht jaar kanker gehad, de ziekte van Kahler. Hij werd behandeld door een team van vijf artsen en hijzelf was de zesde. De oncoloog wist dat het geen zin had om van bovenaf tegen hem te zeggen wat er moest gebeuren.”

Denken mensen nu niet sowieso: maak ik zelf wel uit?

„Niet als ze patiënt zijn. Dan laten ze het wel uit hun hoofd.”

Is dat zo?

„Toen ik vorig jaar naar het ziekenhuis moest, hoopte ik alleen maar dat ik goed geholpen zou worden. Na mijn ministerschap ben ik voorzitter geweest van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties. Ik heb die mensen erg aangemoedigd om hun rechten op te eisen. Zorg dat je wordt voorgelicht, dat je wordt betrokken bij de behandeling. Het is jouw lijf en jouw leven.”

Mensen kunnen heel onhebbelijk zijn.

„Ze zijn angstig en daardoor kunnen ze lelijke dingen zeggen. Daar moet je als arts tegen kunnen. Mijn zoon zegt dat ook. Als een patiënt uit de bocht vliegt, zegt hij: komt u even mee, drink een kopje thee, wat is er aan de hand? Dan zie je de agressie wegvloeien. Er zijn altijd hooligans, maar dat zijn uitzonderingen.” Ze kijkt weer op haar horloge. „Moeten we het niet eens over Van Mierlo hebben?”

Ik wil graag eerst weten hoe uw man gestorven is.

„Het verdrietigste van mijn leven. Het eerste jaar kreeg hij chemotherapie en die sloeg goed aan. De ziekte bleef een tijd weg, maar daarna werden de periodes steeds korter. Hij werd een kop kleiner dan ik, en hij was eigenlijk een kop groter. Een lijdensweg. Op het laatst had ik ’s nachts elke drie uur de wekker staan om hem morfine te geven. Hij had euthanasie geregeld, maar op een gegeven moment is het hart ermee opgehouden. ’s Morgens werd hij onrustig wakker en de internist zei: het zal niet lang meer duren. Jan is gestorven in de armen van mijn zoons. Hij zei: ik ben zo benauwd, hijs me nog even op. Dat deden ze, en toen was het voorbij. Ik stond aan het voeteneind. Voor hem was het een verlossing. En de ergste rouw was al voorbij, want op het moment dat je zo’n diagnose krijgt, begint het verdriet. Je kunt het samen verwerken. Jan deed ons voor hoe je je ziekte moest dragen. Het taboe was er niet. Het is er dus bij mij ook niet.”

Zes jaar na de dood van uw man vroeg Van Mierlo u om minister te worden.

„Ik was vice-voorzitter van de Gezondheidsraad en hoogleraar in het AMC, en toen nodigde hij me uit in zijn lievelingsrestaurant op de Lindengracht. Ik kende hem omdat Jan in het hoofdbestuur van D66 had gezeten. Hans zei: het wordt voor ons een goede uitslag en we gaan waarschijnlijk meeregeren, dus ik zoek ministers en ik dacht aan jou. Ik voelde er niets voor. Hij schreef al mijn argumenten op een servetje en daarna veegde hij zijn mond ermee af.

„Toen de verkiezingsuitslag er was, vierentwintig zetels, nodigde hij me uit in Huis ter Duin in Noordwijk. Het was mooi weer, we zaten op het terras en hij trok zijn overhemd uit, want hij wilde graag bruin worden. Dus daar zat hij in zijn blote bast te vertellen dat ik me niet aan mijn verantwoordelijkheid kon onttrekken. ’s Avonds heb ik mijn kinderen gebeld. Ze zeiden alle drie: je bent gek. Daarna belden ze terug: toch wel leuk en we vinden het niet erg. Ik dacht: ik ben 62, wat heb ik te verliezen?”

In 1998 werd u partijleider en lijsttrekker.

„Hans van Mierlo moest kiezen tussen Roger van Boxtel, Thom de Graaf en mij, en die twee mannen wilden graag – mannen willen altijd graag – en ik zei: ik zie mezelf niet de straat opgaan en roepen dat ik de beste ben, dus bedankt. Maar ik werd het wel. Toen kreeg ik Coco de Meyere over de vloer, een styliste – zo jammer dat die zelfmoord heeft gepleegd, het leek zo’n vrolijke meid – en ze keek in al mijn kasten. Alles wat ik droeg was volgens haar te truttig. Ze kwam hier met een vrachtwagen vol kleren en ik kreeg acht nieuwe combinaties.

„Ik leerde in oneliners het beleid van D66 verkopen. Ik heb mijn best gedaan, maar toch verloren we tien zetels. Van Mierlo had al tegen me gezegd dat we nooit meer hetzelfde resultaat zouden halen als in 1994. Onze natuurlijke achterban is tien à twaalf procent. In het televisiedebat op de laatste avond bleek ik nog aardig wat stemmen te hebben binnengehaald. Het was onder leiding van Paul Witteman en Ferry Mingelen, en terzijde: die mannen trekken dat soort debatten altijd op een hinderlijke manier naar zichzelf toe. Zij bepalen alles. Het onderwerp was op een gegeven moment de kwaliteit van leven. Ik kwam aan de beurt en ik zei: ik heb nu acht minuten naar de andere lijsttrekkers geluisterd en ik hoor ze alleen maar over geld praten. Nu wil ik inderdaad iets zeggen over de kwaliteit van leven. In de peilingen schoot D66 omhoog.”

En u werd weer minister.

„Vooral die tweede keer heb ik ervan genoten, hoe moeilijk het soms ook was. In het kabinet had ik de rol van moeder. Als er weer eens een minister ziedend de Trèveszaal was uitgelopen, zei Kok tegen mij: ga jij hem even terughalen. De PvdA en de VVD hadden ons nodig als stootkussen.”

Hoe kijkt u aan tegen een kabinet met de PvdA en de VVD?

„Ik heb de ervaring dat het gemakkelijker is als D66 erbij komt. Nu zijn de PvdA en de VVD nog vrienden van elkaar, maar er zullen aanvaringen komen. Ik vind dat de PvdA betere ideeën over de gezondheidszorg heeft. Een inkomensafhankelijke premie is beter dan een nominale premie, als je wilt voorkomen dat mensen met een laag inkomen aan de bedelstaf raken.”

Hoe denkt u over marktwerking in de gezondheidszorg?

„Die term had nooit gebruikt mogen worden. Het gaat om gereguleerde concurrentie. Marktwerking, dan krijg je allemaal mannen die ondernemer willen spelen. Het idee was: de tarieven gaan naar beneden. Maar wat iedereen had kunnen voorspellen: het aantal verrichtingen is omhoog gegaan.”

Alle artsen dan maar in loondienst?

„Ik zou er geen enkel probleem mee hebben. Ik heb zelf altijd in loondienst gewerkt. Er zijn vrijgevestigde specialisten die zeggen: wij doen veel meer, wij werken tachtig uur per week. Dat zal best, maar hoe efficiënt is dat? Ik zeg: in loondienst en hun positie goed regelen. Vroeger werd er te veel naar artsen opgekeken, nu misschien wel te weinig.”

Dan vindt ze dat het genoeg is geweest. Bij het afscheid presenteert ze een schaaltje met kiwibesjes. „Kent u die? Ik had ze nog nooit gegeten. Ze schijnen heel gezond te zijn.”