Kerst met een schuimkraag

Brouwers en drinkers hebben steeds meer trek in buitenissige bieren. Deze maand: winterbier.

Stille Nacht, 30 cl, 12%, €1,91

De hoogte van zomerse buitentemperaturen zijn doorgaans indicatief voor de dagkoers van grote brouwerijen. Bikiniweer stuwt immers de consumptie. Maar aan die strakke relatie tussen warmte en pils, wordt gemorreld. Ook dít jaargetij, met zijn feestdagen, groeit in de belangstelling van brouwers. En dan gaat het niet om een pilspiek, maar om speciáál bier, van vooral kleine brouwhuizen. De eerste bierarrangementen voor een kerstdiner zijn al gesignaleerd.

Dat komt allemaal, zegt Peter van der Arend, „doordat de bieroorlog is overgeslagen naar Nederland”. In zijn Amsterdamse café BeerTemple schenkt hij nog een Raging Bitch Belgium India Pale Ale in. Kijk, zegt hij, „die akelige drooglegging in de jaren twintig verwoestte de Amerikaanse biercultuur”. En na de Tweede Wereldoorlog maakten de grote brouwerijen zoals Anheuser-Bush en SABMiller de dienst uit, met een monocultuur van smaak tot gevolg. „In Europa was het niet veel anders.”

Een decennium terug begon in de VS de victorie toen smaakgevoelige thuisbrouwers het monopolie van de fletse Budweisers en Millers wilden doorbreken. Dat lukte. Volgens de Amerikaanse Brewers Association waren er in 2011 alweer bijna tweeduizend lokale brouwerijen, meer dan in de negentiende eeuw. Vanuit de VS sloegen de craft beers afgelopen jaren een bruggenhoofd in Scandinavië. „En vandaar sloeg de trend over naar hier.” Als de tekenen niet bedriegen, dan zijn die buitenissige bieren van buitenlandse én binnenlandse kleine brouwers intussen ook hier aan de winnende hand.

„Ik zou die nieuwe belangstelling voor speciale bieren geen trend willen noemen”, zegt John Brus, mede-eigenaar van Brouwerij De Molen in Bodegraven op zijn kantoortje. „Het is een revolutie.” Zijn bureau kijkt uit op reusachtige, metalen ketels, waar het een drukte van belang is. Dat is niet gek: er is een bierfestival gaande. Brouwhuizen uit Frankrijk, Italië, Groot-Brittannië en andere Nederlandse lokale brouwers hebben er mobiele cafés ingericht. „Daar zijn we vier jaar geleden mee begonnen en sindsdien is het bezoekersaantal ieder jaar verdubbeld.”

De Molen produceert zelf intussen 4.000 hectoliter per jaar, zegt Brus. „Het gros gaat naar het buitenland. Vooral naar Italië, Canada, de VS en Japan.” Maar ook lokale slijterijen en horeca nemen bier van De Molen af. De recepten zijn deels afkomstig van eigen geëxperimenteer met water, mout en hop, maar De Molen doet ook dienst als ‘huurbrouwerij’, waarbij thuisbrouwers met doe-het-zelfketels een recept bedenken en hiermee naar een ‘echte’ bierbrouwer gaan en een paar honderd liter bestellen.

Het aantal Nederlandse bierbrouwerijen stijgt sterk: waren er in 2009 nog iets meer dan tachtig, in 2012 waren er al 132.

Het publiek dat dit najaar het bierfestival in Bodegraven bezocht, is vooral mannelijk. Er zijn de buikige paardenstaarten met hardrock-T-shirts die je op een bierfeest verwacht, maar ook gesoigneerde heren die het bier besnuffelen. Vrouwen lopen er trouwens ook rond, hoewel in grote minderheid. Dit is geen wijnproeverij waarbij je de mondinhoud in een bakje spuugt. Aha, dáárom stond langs de weg erheen een geïmproviseerd verkeersbord: ‘Pas op, overstekende bezoekers bierfestival’.

Dergelijke festiviteiten groeien als kool. In 2010 hielden bijvoorbeeld dertig brouwerijen open huis, in 2011 waren dat er meer dan vijftig. Het afgelopen jaar was er ieder weekeinde wel iets te doen op biergebied.

Snake Dog

Is zo’n bierfeest al een rariteitenkabinet qua biertypes, in het Amsterdamse speciaalbiercafé BeerTemple is het assortiment helemáál divers, om niet te zeggen: bizar. Hier staan dertig Amerikaanse bieren op de tap zoals Milk Stout, Snake Dog en Back Burner en van talloze meer zijn er flesjes voorhanden, ook uit andere landen. Shark Attack valt op een krijtbord te lezen, Uneartly en het raadselachtige Sink the Bismarck. Dat is weer eens wat anders dan die eeuwige Palm en Westmalle, om nog maar te zwijgen over die confectiepilzen als Heineken en Jupiler.

Van der Arend: „Ik durf best te beweren dat voor bier meer smaken mogelijk zijn dan alle smaken van wijn en whisky bij elkaar opgeteld.” Dat heeft Brus ook al gezegd. „Je kunt bier maken met rode peper, met cacao. Er is zelfs bier met wei, de vloeistof die overblijft nadat je bij het maken van kaas, de gestremde melk hebt verwijderd.”

Die gekke naamgeving is een soort sport. Dat Sink the Bismarck is afkomstig van een wedstrijdje tussen brouwerijen wie het sterkste bier ter wereld kon produceren. Al eerder was het Schotse BrewDog op de proppen gekomen met Tactical Nuclear Penguin, met een alcoholpercentage van 32 procent, kort daarna overtroefd door het Duitse Schorschbrau dat een brouwsel stookte, Schorschbock, met een percentage van 40 procent. BrewDog sloeg terug met Sink the Bismarck van 41 procent. BrewDog vergrootte de voorsprong met The End of History, dat voor meer dan de helft uit alcohol bestaat. Het wordt gebotteld in een fles die is verstopt in een opgezette eekhoorn of hermelijn – bierhumor heeft iets ondoorgrondelijks.

Die extreem krachtige bieren zijn overigens niet voorbehouden aan Schotse en Duitse brouwerijen. Zo laat de Zeeuwse brouwer Emelisse op festivals altijd een donker bier proeven, een Imperial Russian Stout, met 25 procent alcohol. Dat is verkregen door het waterdeel door bevriezing te verkleinen en dus de alcohol te concentreren. Dit superbier is niet voor de verkoop, maar voor de show. „Vergelijk het met de Auto-RAI”, zegt brouwmeester Kees Bubberman. „Daar zie je ook interessante prototypes en fraaie technische studies, maar die kom je nooit op de weg tegen.”

De speciale bieren lijken dus aan de winnende hand in de strijd tegen het fletse pils van de grootbrouwers. De grote vraag blijft natuurlijk waaróm consumenten, in de VS en in Europa, opeens zoveel belangstelling hebben voor al dit speciale bier. Van der Arend ziet een parallel met de trend die al langer bestaat binnen de voedselwereld. „Consumenten willen weten waar hun eten vandaan komt, en dat geldt ook voor bier.” Het overal vloeiende pils heeft een industrieel imago dat aan die wens niet beantwoordt. „Als de zon schijnt, wil ik best een pilsje”, zei Brus, „maar aan Heineken vergrijp ik me niet.”

    • Menno Steketee