Kennisboom

De boom moet de meest gebruikte beeldspraak voor de wetenschap zijn – van de boom der kennis van goed en kwaad in de Hof van Eden tot de netwerken en het ‘laaghangend fruit’ van de moderne innovatie-expert. De takken van de boom symboliseren de zich steeds splitsende kennis, de bladeren en vruchten de concrete toepassingen en producten.

Ook de metaforische boom groeit door de eeuwen heen. De houtsnede in Arbor Scientiae (1296) van de Catalaanse filosoof Ramon Llull laat een bescheiden boompje met een twintigtal takken zien. Als Diderot en D’Alembert bijna vijfhonderd jaar later hun Encyclopédie (1751-1772) uitgeven, moet de kennisboom op het enorme schutblad negenmaal uitgevouwen worden.

Wonend in een huis omringd door torenhoge bomen realiseer ik me maar al te goed dat een belangrijk deel van een boom onder de grond zit, zeker na het bezoek van de orkaan Sandy. Het zijn de wortels die deze giganten staande houden en voeden. Dat geldt evengoed voor de kennisboom. Toch krijgen de wortels van de wetenschap lang niet de aandacht waarin de takken en vruchten zich mogen verheugen, ook in deze krantenpagina’s.

Zo is Nederland, en meer algemeen continentaal Europa, niet goed in het aanboren van private middelen voor de wetenschap. Preciezer gezegd: we doen het in wetenschap en cultuur lang niet zo goed als in de medische wereld, en we zien vooral veel kleine en weinig grote giften.

Wat kunnen we van anderen leren? Ikzelf zit sinds kort op een gesponsorde leerstoel – vernoemd naar de veel te vroeg overleden Amerikaanse financier Leon Levy, die een grote liefde voor de wetenschap en in het bijzonder voor mijn instituut had. De gift van zijn weduwe was 20 miljoen dollar groot. Dat is een enorm bedrag, maar het denken in termen van een vast vermogen brengt een totaal andere tijdhorizon met zich mee. Je doet het namelijk niet voor even, maar voor de eeuwigheid. Zolang mijn instelling bestaat, zal er een Leon Levy-professor zijn.

Een rekenvoorbeeld helpt wellicht. Stel, je hebt een initiatief bedacht dat 50.000 euro per jaar kost. In Nederland zouden we zoiets via impulsfinanciering regelen: je krijgt een ton om het een paar jaar vol te houden en daarna moet je op zoek naar een permanente geldbron. Het programma wordt gelanceerd met een spetterend persbericht, maar na een tijdje stopt het – of realistischer: het gaat op een laag pitje door en raakt nooit meer aan de kook. Uiteindelijk staat het fornuis vol met half aangebakken potten en pannen. Wie doet de afwas?

Als je hetzelfde project van 50.000 euro per jaar vanuit een vast vermogen zou willen financieren, dan zal je volgens de gangbare rekenmodellen al gauw een miljoen euro op de bank moeten hebben staan. Dat is een groot bedrag voor een relatief klein effect. Je kunt met een miljoen zo veel meer doen. Het is enorm verleidelijk het in één keer aan iets groots uit te geven.

Maar dat is precies het punt. Door langer vooruit te kijken worden de totale kosten zichtbaar. Waar eerst zo gemakkelijk ja tegen werd gezegd, wordt ineens een langetermijninvestering die een zorgvuldige afweging vraagt. Duurzaamheid brengt voorzichtigheid.

Private financiering brengt ook in andere zin stabiliteit. Geen boom rust op een enkele wortel. Beauty is in the eye of the beholder, ook in de wetenschap. Er zijn vele manieren om enthousiast te zijn, als onderzoeker én als filantroop. Dit punt werd benadrukt toen dit jaar Philippe de Montebello in Nederland was voor de Nexus-lezing. Meer dan dertig jaar is hij directeur geweest van het vermaarde, grotendeels privaat gesteunde Metropolitan Museum of Art in New York. Toen hem gevraagd werd of hij niet moe werd van alle fondsenwerving en hij niet liever door één overheidssubsidie gesteund werd, antwoordde hij dat de veelheid aan donoren hem juist rust en stabiliteit gaf, plus het genoegen alle schoonheid van zijn museum in de ogen van begeesterde individuen gereflecteerd te zien in plaats van de afstandelijke blik van een enkele ambtenaar.

De wereld van de filantropie is wel in beweging. De wortels gaan steeds meer op de takken lijken. Zo was ik onlangs op een congres over nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek waar een zeer gulle gever een voordracht gaf over ‘nieuwsgierigheidsgedreven filantropie’. Geweldig, dachten alle wetenschappers in de zaal. Maar, pas op. Als een filantroop zich door de eigen nieuwsgierigheid laat leiden – bijvoorbeeld antieke Griekse vazen of autisme – dan is dat goed nieuws voor archeologen en neurologen, maar slecht nieuws voor de rest. Steeds meer weldoeners volgen hun eigen neus in de keuze van hun onderwerp en benadering. Dit is zeker het geval voor de nieuwe generatie filantropen die hun vermogens hebben verdiend in de wereld van high tech of high finance. Om in deze sectoren succesvol te zijn, vraagt naast ruwe energie ook een bijzonder analytisch vermogen. Het is ondenkbaar dat zo iemand alleen de harde cash en niet de bijkomende kennis wil delen.

We leven in een tijd van ongekende reservoirs aan talent, technologische mogelijkheden en intellectuele uitdagingen. De takken van de kennisboom hebben nog nooit zo hoog gereikt. Als we een paar procent van alle creativiteit en energie die we in het onderzoek leggen, besteden aan het groeien van de wortels, blijft die boom ook stevig staan.

    • Robbert Dijkgraaf