Hulp, alleen als het moet

Terwijl het Westen al vier jaar stagneert, dendert de economische groei in de rest van de wereld grotendeels door. Opkomende landen nemen een steeds groter deel van de wereldeconomie voor hun rekening, de traditionele industrielanden verliezen terrein. Deze beweging versnelt, maar doet zich al enige tijd voor: de economische ongelijkheid tussen landen neemt in snel tempo af.

De ongelijkheid binnen landen neemt juist toe. Dat geldt voor de nieuwe spelers in de internationale economie, waar industrialisatie zorgt voor grotere klasseverschillen tussen nieuwe rijken, een aspirerende middenklasse en een groeiend legioen van, vaak nieuwe, stedelingen. De groeiende ongelijkheid gaat ook op voor het Westen zelf. De-industrialisatie heeft hier gezorgd voor een groeiende groep van kansarmen op de arbeidsmarkt.

Internationale hulp is in deze sterk veranderende context niet langer een eenduidige zaak van ‘goed willen doen’. Economische groei lijkt het beste ontwikkelingsmodel, en de wereldeconomie doet dat werk al grotendeels zelf. Private geldstromen, waaronder directe investeringen, naar ontwikkelingslanden zijn al tweemaal zo groot als de officiële hulpstromen. Gastwerkers in het buitenland sturen grotere bedragen naar huis. Veel voormalige ontwikkelingslanden zijn dat al heel lang niet meer, en een land als India wil het niet meer zijn.

Tegelijkertijd dreigt het draagvlak voor ontwikkelingssamenwerking in het Westen af te kalven. Nu het Westen de welvaartsvoorsprong ziet teruglopen, ligt dat voor de hand. Zeker als binnen westerse landen een groeiende noodzaak wordt gevoeld voor het bestrijden van de ongelijkheid in eigen kring.

In dit sterk veranderende klimaat verdedigt minister Ploumen (PvdA) aanstaande maandag in de Tweede Kamer de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Als het goed is gaat dat politieke debat niet alleen over geld, maar wordt het ook een inhoudelijke discussie: waar wil Nederland met zijn ontwikkelingsbeleid naartoe?

De begroting zelf drijft dit onderwerp op de spits. Na een bezuiniging van een miljard euro door het vorige kabinet, volgt nu opnieuw een miljard.

Dat bedrag is overigens relatief: door de koppeling van het budget aan het nominale nationale inkomen stijgen de uitgaven automatisch met de inflatie en de volumegroei van de economie mee. Het miljard aan bezuinigingen waarover het gaat, geldt dan ook ten opzichte van de uitgaven zoals die aan het einde van de kabinetsperiode zouden zijn geweest. In harde euro’s gaat er in wezen slechts ongeveer een kwart miljard af.

Maar goed: als percentage van het nationaal inkomen komen de Nederlandse uitgaven aan ontwikkelingssamenwerking nu terecht onder de 0,6. Dat is minder dan de in 1969 in internationaal verband afgesproken norm van 0,7 procent – hoewel slechts een handvol, overwegend Scandinavische, landen zich daar doorgaans aan hield. De rest haalt vaak nog niet de helft.

Het budget zelf wordt ruimer gedefinieerd. Nederland zal zich ervoor inspannen dat uitgaven aan vredesmissies voortaan onder de definitie van ontwikkelingssamenwerking vallen, een calculatie die door veel andere landen allang in praktijk wordt gebracht.

Ook komt er een pot voor het midden- en kleinbedrijf, die eveneens onder deze begroting zal vallen. Dat onderstreept de rol van economische factoren bij het internationale hulpbeleid. Of beter: het bevestigt een praktijk die allang gaande is. Dat Ploumen zich minister voor Ontwikkelingssamenwerking en Buitenlandse Handel mag noemen, erkent slechts deze realiteit.

Moet er bezuinigd worden op ontwikkelingssamenwerking? Dat is de verkeerde vraag. Beter is het om te onderzoeken hoeveel geld er, in deze sterk veranderende wereld, eigenlijk nog nodig is, en waarvoor. Het loslaten van de norm van 0,7 procent is in deze zin een wijze stap. Hulp blijft nodig, voor de allerarmsten, voor mensen in nood. Ook als hun eigen welvarende landgenoten daar steeds beter zelf voor zouden kunnen zorgen.

Maar de last van het Westen en de daarbij gevoelde morele plicht zijn steeds minder van deze tijd. Dat rechtvaardigt een nuchtere kijk op ontwikkelingssamenwerking. De wereld kan het steeds beter af zonder ons. En dat is juist goed nieuws.