Er komt een digitale explosie van eruditie in de alfawetenschap

De zin van de geesteswetenschap hield Barlaeus en Vossius al bezig. Digitale technologie maakt haar steeds nuttiger, schrijft Rens Bod.

Het is vandaag 381 jaar geleden dat Gerardus Vossius, de eerste hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, begon met het schrijven van zijn inaugurele rede getiteld Over het Nut van de Geschiedenis. Hij zou zijn rede enkele weken later op 8 januari 1632 uitspreken. Het nut van de geschiedenis! Kom daar tegenwoordig nog eens om. Voor Vossius en tijdgenoten was dit nut echter een vanzelfsprekendheid. Vossius betoogde onder meer dat uit historische verhalen de wijsheid niet alleen veel sneller maar ook veel veiliger kon worden geleerd dan uit verre reizen of het vervullen van riskante militaire ambten.

Eén dag later, op 9 januari 1632, sprak ook de tweede hoogleraar van het Athenaeneum Illustre, Caspar Barlaeus, zijn rede uit, getiteld De Wijze Koopman. Zijn rede ging over de vruchtbare wisselwerking tussen koopmanschap en geesteswetenschap. Barlaeus benadrukte dat de zorg voor de handel door overdenkingen van de geest wordt verrijkt, zodanig dat koopmanschap en de letteren op de beste wijze samenwerken. Geld was belangrijk, maar wetenschap was belangrijker. Barlaeus’ betoog ging over niets minder dan over de valorisatie van de geesteswetenschappen in het koopmansvak, waar Amsterdam groot en wereldberoemd mee was geworden.

Nut en valorisatie, daar hadden Vossius en Barlaeus het over. Het zijn de ‘buzz’-woorden in het huidige tijdsgewricht. Soms is het goed om deze woorden in historisch perspectief te plaatsen. Vaak wordt gedacht dat de focus op nut en valorisatie iets van deze tijd is, maar de UvA heeft een vier eeuwen lange traditie hoog te houden in het benutten en valoriseren van alfakennis. Vossius en Barlaeus waren weliswaar humanisten van de oude stempel, maar ze wisten precies wat hun kennis en inzichten voor de stad en de handel konden betekenen, en hun colleges werden bezocht door bestuurders en kooplieden.

Heden ten dage lijkt de status van de geestes- of alfawetenschappen diametraal gekeerd. De alfadisciplines wordt meer dan eens een gebrek aan nut verweten. De handel, tegenwoordig het bedrijfsleven genoemd, lijkt zich volkomen te hebben vervreemd van de humaniora. De meest pregnante uitspraak is te lezen in het ledenmagazine van VNO-NCW Midden van februari 2010, waarin wordt opgeroepen om „de ‘alfaisering' van de samenleving te doorbreken en oorspronkelijke denkkracht aan te boren”.

Na zo’n boude uitspraak zou men verwachten dat alfawetenschappers te lande verontwaardigd zouden opstaan om de onhoudbaarheid van deze uitspraak aan te tonen. Maar niets is minder waar. Menig geesteswetenschapper benadrukt juist als eerste dat het nut van de geesteswetenschap erin bestaat dat ze geen nut heeft. De vermaarde filosoof en essayist George Steiner zegt het, en velen zeggen het hem na. De invloedrijke Amerikaanse hoogleraar Stanley Fish schreef onlangs dat „The humanities are of no use whatsoever”. Wat brengt deze geesteswetenschappers ertoe om dit soort uitspraken te doen? Zijn de humaniora volgens hen verworden tot l’art-pour-l’art?

Om de houding van deze geesteswetenschappers te begrijpen alsmede de veranderde positie van de humaniora, zal ik kort ingaan op wat er is gebeurd tussen Vossius en nu. In Vossius’ tijd bestond er geen verschil tussen de studie der geestesproducten en de studie der natuur – tussen wat we tegenwoordig alfa en bèta noemen. Geleerden als Snellius en Huygens, maar ook Kepler en Newton, bestudeerden zowel oude teksten als de natuur, zowel muziek als de planeetbewegingen. Pas in de achttiende eeuw zouden deze twee activiteiten zover uiteen groeien dat de filosoof Giambattista Vico een vlijmscherp onderscheid wist te maken tussen de studie van het menselijke en de studie van het natuurlijke, zeg maar tussen cultuur en natuur. In de loop van de negentiende eeuw leidde dit onderscheid tot het losweken van de natuurwetenschappen uit de algemene artes liberales, de vrije kunsten. De alfafaculteit werd een restfaculteit die uit niet meer bestond dan de achtergebleven disciplines.

Steeds dringender werd gevoeld dat deze disciplines een eigen identiteit en een eigen methode behoefden die niet zou zijn gestoeld op een zoektocht naar regelmatigheden en wetten, zoals in de natuurwetenschappen, maar op het interpreteren en begrijpen van teksten, taal, kunst, muziek en van het verleden. Niemand heeft meer bijgedragen aan de ontwikkeling van zo’n interpreterende of hermeneutische methode dan Wilhelm Dilthey rond 1900.

Volgens Dilthey moesten geesteswetenschappers niet meten of tellen, maar zich inleven in een historische periode. Zij moesten begrijpen in plaats van verklaren. Dilthey zag een grandioze toekomst weggelegd voor de geesteswetenschappen, en met hem vele anderen. De hermeneutische benadering ging de boventoon voeren bij twee invloedrijke disciplines: de filosofie en de geschiedwetenschap. De geesteswetenschappen als concept beginnen bij Dilthey en kunnen we aanduiden met Geesteswetenschappen 1.0. Deze geesteswetenschap stelde kritiek tot haar taak, ze werd de luis in de pels, de kritische geest die wilde laten zien dat geen enkele uitspraak over de mens op absolute waarheid kon berusten. En aanspraak maken op ‘nut’ kon de geesteswetenschap al helemaal niet – zie George Steiner.

Niet alle geesteswetenschappers gingen overstag: musicologen, taalwetenschappers, theaterwetenschappers, kunsthistorici, archeologen en veel literatuurwetenschappers gingen gewoon door met het zoeken naar regelmatigheden en patronen. De twee tradities zouden zeker definitief uit elkaar zijn gegroeid als er in de 20e eeuw niet nog iets veel ingrijpenders had plaatsgevonden: de introductie van technologie in de humaniora, vooral van computertechnologie.

Dé pionier op dit terrein was de Italiaanse jezuïet Roberto Busa die in 1946 met het idee aankwam om de computer in te zetten voor het creëren van een Index Thomisticus dat alle werken van Thomas van Aquino en aanverwante auteurs zou indexeren (een totaal van elf miljoen woorden). Busa wist de oprichter van IBM, Thomas J. Watson, ervan te overtuigen om de Index Thomisticus te sponsoren en een softwaretool te ontwikkelen waarmee deze automatisch kon worden gegenereerd.

Busa was de eerste maar zeker niet de enige die computertechnologie inzette ten behoeve van de geesteswetenschappen. Minstens zo belangrijk was de inzet van computertechnologie in de taalkunde waaruit in de jaren zestig het vakgebied computerlinguïstiek werd geboren. Op elk alfawetenschappelijk terrein ontstonden in de jaren tachtig en negentig digitale benaderingen. Het heeft er toe geleid dat ook de hermeneutische geesteswetenschappen in het digitale zijn gesprongen, vooral in de digitale presentatie, maar ook in het onderzoek naar digitale kunst of naar de invloed van de sociale media.

Een groeiend aantal geesteswetenschappers werkt tegenwoordig samen met informatici aan het oplossen van geesteswetenschappelijke vragen. Er zijn zelfs publiek-private projecten waarbij het product dat voortvloeit uit onderzoek wordt vermarkt. De projecten lopen uiteen van de digitale reconstructie van de grachtengordel in de Gouden Eeuw, een app voor het vinden van gelijksoortige muziekstukken (voor ballroomdance en DJ), een softwaretool voor emotieherkenning in films, tot een zoektocht naar patronen in literatuur en geschiedenis.

ICT-bedrijven lijken het uitdagende materiaal van de geesteswetenschappen te hebben ontdekt. Denk aan de complexe gelaagdheid van een schilderij, de fuzzy toongrenzen in muziek, of de incompleetheid van manuscripten. Hoe ontwerp je een digitale aanpak die complexe, fuzzy en incomplete gegevens aankan? Als je dat hebt opgelost, kun je de wereld aan.

Het is dan ook onmiskenbaar dat de perceptie van de humaniora is omgeslagen van vrijwel nutteloos, zoals de VNO-NCW in 2010 schreef, naar ‘The Next Big Thing’, zoals bedrijven als IBM en Apple het tegenwoordig uitdragen.

Komt met deze privaatpublieke samenwerking het zuiver wetenschappelijk onderzoek in gevaar? Nee, geesteswetenschappers kunnen en moeten gewoon blijven doen waar ze goed in zijn. Wel is het inspirerend om na te denken over disseminatie en valorisatie. Iedere onderzoeker peinst hier wel eens over, maar weinigen ondernemen actie. De kunst ligt hem in het bij elkaar brengen van ‘great minds’ uit de geesteswetenschap en het bedrijfsleven.

Wat betekenen deze ontwikkelingen voor wetenschap en maatschappij?

Wat nieuw is aan de digitale aanpak is het bijeenbrengen van technologie en geesteswetenschap. Alfa en bèta waren uit elkaar gegroeid in de negentiende eeuw, maar technologie heeft ze weer bij elkaar gebracht. Deze nieuwe beweging mag met recht een breuk met de monomane opvatting van geesteswetenschap door Dilthey worden genoemd.

Dit zijn de Geesteswetenschappen 2.0!

In de Geesteswetenschappen 2.0 kunnen nieuwe vragen worden gesteld en beantwoord. Zijn er universele principes in literatuur of muziek? Zijn er patronen in de loop van de geschiedenis? Geesteswetenschappers gingen dit soort vragen lange tijd uit de weg. Maar met digitale methoden kunnen nieuwe verbanden worden gelegd die bovendien complexer zijn dan voorheen.

Binnen de Geesteswetenschappen 2.0 staat de zoektocht naar patronen centraal. Door de overweldigende overvloed aan data gaan zelfs de meest traditionele geesteswetenschappers overstag. Ook al wil men het uiteindelijk gevonden patroon interpreteren, het patroonzoeken gaat dwars door alle humaniora heen.

De humaniora waren eeuwenlang zo gefragmenteerd en specialistisch dat het onmogelijk was om zich in meer dan één vakgebied te specialiseren. Met een digitale aanpak wordt eruditie buiten één vakgebied bereikbaar: zo kan een zogeheten paper trail tegenwoordig volautomatisch worden gegenereerd, terwijl nog geen generatie geleden hier een immense eruditie voor nodig was.

Tot slot zijn de toepassingen van Geesteswetenschappen 2.0 volstrekt onverwacht. Dit is niet alleen een bijvangst van digitaal onderzoek, het levert ook kennis op die relevant is voor zowel wetenschap, mens als maatschappij.

Het nut van Vossius en de valorisatie van Barlaeus komen dus na eeuwen stilte weer om de hoek kijken. De Wijze Koopman doet er goed aan om zich te laten informeren over de stand van zaken in de humaniora. En de producten van de geesteswetenschap zijn rechtstreeks van belang voor koopmanschap. Wij 21ste-eeuwers waren het even vergeten, maar ik hoop u er vandaag opnieuw van te hebben overtuigd.

Dit is een sterk verkorte versie van de inaugurele rede uitgesproken door Rens Bod op 14 december 2012 bij de aanvaarding van zijn dubbelbenoeming als hoogleraar bij de faculteiten geesteswetenschappen en natuurwetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. De volledige rede is te lezen op devergetenwetenschappen.blogspot.nl

    • Rens Bod