Een snoepwinkel voor olympiërs én bobo’s

Op Papendal werd vrijdag de nieuwe, ultramoderne Arnhemhal geopend. Nederlandse topsporters vinden tegenwoordig alles wat ze zoeken op het nationale sportcentrum.

Het is dat hij af en toe een toernooi heeft, anders hoefde taekwondoka Tommy Mollet het terrein helemaal niet meer af. Slapen, trainen, eten, de fysiotherapeut, de masseur, de sportpsycholoog. Alles wat een sporter wenst binnen een straal van een paar honderd meter. „Ik heb nergens ter wereld een topsportcentrum gezien dat gelijkwaardig is aan Papendal”, zegt Mollet, die er tot de Spelen van Londen zes jaar woonde. „Laat staan beter.”

Afzien, elke dag weer. De ontberingen van een krachttraining. Het eindeloze gevecht tegen een zeurblessure. Het meedogenloze selectiebesluit. Een nationaal park vol emoties, teleurstellingen en hoop is Papendal, waar vijfhonderd topsporters zich dagelijks het schompes werken voor een paar momenten van glorie. Maar wel met faciliteiten die zich kunnen meten met de beste ter wereld, zegt Jochem Schellens, al zeven jaar hoofd van het sportcentrum. Gisteren opende hij de nieuwe Arnhemhal, een ware snoepwinkel voor olympiërs. „Ik kan volmondig zeggen dat ik trots ben, ja.”

Zomaar een doordeweekse trainingsdag. In het Olympic Training Center werken de nationale rolstoelbasketballers aan nieuwe spelpatronen. Vanuit het bos er tegenover kijkt de veldmaarschalk van de Nederlandse sport, NOC*NSF, streng toe als groepjes zwoegende wielrenners, schutters, handbalsters, volleybalsters, atleten en badmintonners hun een dagelijkse ode aan de olympische sport brengen. De besneeuwde atletiekbaan in de diepte, waar Papendal ruim veertig jaar geleden begon, ligt er verlaten bij.

„Ik ben geen tijd kwijt aan reizen, ik kan me volledig focussen op het sporten”, zegt discuswerper Erik Cadée, die sinds vier jaar in het sportershotel van Papendal woont, op een steenworp van de plek waar hij traint. „Het mooie is dat je hier nooit alleen bent. Er zijn altijd sporters, en ze hebben allemaal hetzelfde doel: de Spelen. Anders stond ik in mijn eentje zout te strooien op een bevroren ring in Vught.”

Van een verlaten, afgelegen plek in de bossen zijn de 175 sporthectares op de Veluwe in een paar jaar tijd omgetoverd tot een uiterst gewilde woonplaats voor topsporters. De laatste vijf jaar zette Papendal bijna stiekem 21 grotere en kleinere accommodaties neer om topsporters sterker en beter te maken. Het sportershotel puilt met 110 bewoners inmiddels uit. „Ik zou het aantal kamers graag uitbreiden”, zegt Schellens, die na de Spelen van Athene (2004) namens NOC*NSF het roer omgooide op het sportcentrum, van 1971. Maar een geliefd sportcentrum werd het niet. „De commercie ging altijd voor. Het congrescentrum en het hotel waren de hoofdmoot, de sportfaciliteiten werden verwaarloosd. Als je een atleet vertelt dat hij morgen niet kan trainen vanwege een bruiloft in zijn hal, is hij weg. Die commerciële activiteiten zijn teruggebracht tot nul. Ik vind het belangrijker dat Erik Cadée er veertig discussen gooit. Anders kun je jezelf geen topsportcentrum noemen.”

De omslag kostte eigenaar NOC*NSF, gesteund door de overheid, zo’n 40 miljoen euro, met als pronkjuweel de nieuwe Arnhemhal. Coaches kunnen er camera’s bedienen met hun iPad, hardlopers kunnen hun tussentijden per tien meter analyseren. En als meerkampster Dafne Schippers in het nieuwe restaurant afrekent voor de lunch, krijgt ze op haar bonnetje bij de kassa precies te zien wat de voedingswaarde is van de maaltijd op haar bord – en of er genoeg groenten tussen zit.

De nieuwe hal maakt haar trainingen een stuk aangenamer, zegt toptalent Schippers (20), sinds twee jaar vaste bewoonster van Papendal, al ligt haar kamer in een flat in Het Dorp, omdat Papendal zelf vol is. „De oude hallen waren veel te klein. Als je wilde hoogspringen liep je dwars door de banen van de sprinters. In de nieuwe hal is alles gescheiden. Ik kan zelfs binnen speerwerpen.”

Alles ruikt naar topsport in de bossen. Schippers geniet van de rust, haar lijf maakte vermoeiende dagen. Zonder Papendal was Mollet (33) niet op de Spelen gekomen. „Zonder zo’n systeem, trainen, douchen, eten, massage, rusten, trainen, eten en slapen haal je nooit de wereldtop.”

Saai, zo weggestopt in de bossen, tussen louter gelijkgezinden? Nee, zegt Cadée (28). „Hier wonen is perfect voor nu. Ik kan wel in Arnhem gaan wonen, maar wat heb je dan? Geluidsoverlast – of ze stelen je auto. En op Papendal word je niet afgeleid van wat je moet doen: trainen.”

Maar in de bossen liggen ook valkuilen, weet Mollet. „Je hebt je eigen kamertje in het hotel, waar je je kunt terugtrekken. Dat is hartstikke fijn, maar je kunt ook vereenzamen. Ik heb het zien gebeuren, vooral bij jonge sporters. Ze zijn ver van huis.”

Zelf had hij er de tijd van zijn leven. „Ik heb op Papendal een hele hoop mensen leren kennen uit andere sporten. Je hebt op elke verdieping een ontspanningsruimte waar je samen tv kijkt of een spelletje doet. Dat is zó waardevol. Je leert hoe zij trainen, hoe zij omgaan met teleurstellingen of blessures. Ik heb echt een band gekregen met andere sporters. Ik ga ook kijken bij hen: handboogschieten, tafeltennis of volleybal.”

De contacten op Papendal leiden tot verrassende combinaties. Dit jaar liepen bobsleester Esmé Kamphuis en wielrenster Willy Kanis elkaar bij een krachttraining tegen het lijf – intussen zijn ze samen in een slee op weg naar Sotsji. Dat maakt Papendal zo uniek, zegt Jochem Schellens. „Soms heb je hier bij een training drie olympisch kampioenen en vier wereldkampioenen van verschillende sporten in huis.” Papendal als garantie voor een olympische medaille? Schellens: „Nee, maar Papendal is wel een voorwaarde voor medailles.”

    • Rob Schoof