Een Griekenland vol kruisridders en Venetianen

John Bintliff, The Complete Archeology of Greece - From Hunter-Gatherers to the 20th Century, John Wiley & Sons, 544 blz., 2012.

Erudiet, wetenschappelijk verantwoord, maar ook aangenaam persoonlijk. Zo is The complete archaeology of Greece van John Bintliff te karakteriseren. De Engelse hoogleraar klassieke archeologie aan de Universiteit van Leiden brengt als eerste archeoloog een zo compleet mogelijk overzicht van de wetenschappelijke stand van zaken van al het archeologisch onderzoek in Griekenland. Hij besteedt niet alleen aandacht aan het onderzoek naar de usual suspects, de Bronstijd en de Klassieke Oudheid, maar heeft ook oog voor het onderzoek op Griekse bodem naar de oudste prehistorische landschappen, de vroege jager-verzamelaars, de invloed van de Romeinse tijd, de sporen die Kruisridders, Venetianen en Ottomanen hebben achtergelaten en de archeologie van de Vroeg-Moderne Tijd.

Het klassieke Griekenland, met name Athene, was de inspiratiebron die er voor zorgde dat Bintliff (1949) al op zijn tiende wist dat hij klassiek archeoloog of oudhistoricus wilde worden. Maar toen hij als doctoraal student met de bus van Athene naar Nauplion reisde, viel hem op dat er in het landschap meer was te zien dan alleen de resten van de Klassieke Oudheid. De akropolis van Korinthe was bijvoorbeeld omringd door een middeleeuwse muur met kantelen en ver van dorpjes stonden eenzame Byzantijnse kerkjes. Later, toen hij zich had gespecialiseerd in veldverkenning, kwam hij ook weer sporen uit alle tijden tegen, zoals aardewerk uit de Late Oudheid.

In zijn inleiding zegt Bintliff dat het archeologisch onderzoek naar de latere geschiedenis pas de laatste jaren van de grond is gekomen. Ook nu nog gaat de meeste aandacht uit naar de Klassieke Oudheid. Daar is op zich niets mis mee, want Bintliff geeft genoeg voorbeelden van interessante onderzoeksterreinen voor die periode. Terwijl antieke auteurs weinig belangstelling toonden voor het leven op het platteland, hebben archeologen kunnen aantonen dat tweederde van de bewoners van een Griekse stadstaat in steden leefden. Als forensen gingen boeren iedere dag op en neer naar hun akkers en kuddes, die zich op een half uur tot een uur afstand van de stad bevonden. Verder is het goed weer eens te beseffen dat de Griekse vaasschilders, die nu als kunstenaars worden gezien, in de oudheid anonieme handwerkslieden waren. Overigens zijn hun afbeeldingen interessant studiemateriaal, omdat ze onder andere inzicht bieden in de relaties tussen mannen en vrouwen.

Bintliffs boek onderscheidt zich van de ‘doorsnee’ overzichtswerken, doordat hij iedere onderzoeksperiode afsluit met een soort ‘samenvattingen’. Eerst bekijkt hij de zaak vanuit het standpunt van de Franse Annales-school. Zo stelt hij vast dat het Ottomaanse Rijk op de lange termijn een goede omgeving voor etnisch ondernemerschap was, want het leidde in de 17de en 18de eeuw tot een grote klasse Griekse zakenmensen met netwerken in het Oosten en Westen. Maar in de 19de eeuw kromp deze commerciële en culturele wereld voor altijd drastisch in: de prijs die Griekenland betaalde voor de geboorte van de eigen onafhankelijke staat. Na de wetenschappelijke conclusies over de korte, middellange en lange termijn geeft Bintliff nog eens zijn persoonlijke kijk. In een van die korte bespiegelingen geeft hij jonge archeologen die op zoek zijn naar nieuwe interessante onderzoeksterreinen de goede raad om zich, ver van de overbevolkte klassieke archeologie, te werpen op Byzantijnse archeologie. Het zal hen behalve naar Griekenland ook naar Zuid-Italië, de Zwarte Zee, Anatolië en de zuidelijke Balkan voeren. Wie weet levert deze goede raad over tien jaar het eerste overzichtswerk op van de archeologie van de Byzantijnse tijd.

Theo Toebosch

    • Theo Toebosch