De sociale zekerheid is de kern van Europa en die verdwijnt

In de ‘parochie van Sint- Precarius’ heerst de tirannie van een bevoorrechte minderheid, schrijft Geert van Istendael. Europese instellingen gebruiken de crisis om op een soortgelijke manier onze beschaving te vernietigen.

Kent u de parochie van Sint-Precarius? Als u niet weet waar u die moet zoeken, wanhoop niet aan uw theologische of geografische kennis. Ook zonder gids zult u ze vinden en de dag dat u er aankomt, zult u alle reden hebben tot wanhoop.

Want in de parochie van Sint-Precarius is geen plaats voor hoop. De grote meerderheid van de parochianen werkt er voor een schamel loon om de privilegiën van de hogere geestelijkheid veilig te stellen. Die hogere geestelijkheid heeft theologie vervangen door economie. Een economie, zo leert zij, heeft geen welvarende meerderheid nodig om te blaken van gezondheid. Wat economie nodig heeft is een meerderheid die zich dag en nacht uitslooft voor een aalmoes. Lichtende voorbeelden zijn China en India.

In de parochie van Sint-Precarius schitteren de groeicijfers. De begroting heeft er altijd een overschot. Hoe dat kan? Simpel. Verlaag de lonen. En vooral, ban de solidariteit uit. Weg met al die dure sociale lasten die je in achterlijker tijden moest betalen aan egoïstische gepensioneerden, luie werklozen en ingebeelde zieken. Solidariteit is een vies woord. Weg ermee. En leve de selecte, bevoorrechte minderheid. Dat is de economische realiteit in de parochie van Sint-Precarius en die economische realiteit is, zo klinkt het van op de kansel, de enig mogelijke.

Ik zou u nog vergeten te vertellen hoe de parochiekerk die gewijd is aan Sint-Precarius eruitziet. Het gebouw bestaat enkel uit muren, hoge muren zonder ramen en ook zonder een dak dat de parochianen beschermt tegen regen of zengende zon. Probeer niet over de muren te klimmen, je scheurt je nagels. Je kunt met je hoofd tegen de muren van de Precariuskerk bonken, tot bloedens toe, ze trillen niet eens. Boven het altaar zweven de letters, niet INRI, Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum, maar TINA, voluit in nieuw Latijn: There Is No Alternative.

Wie is Sint-Precarius? Wie is de patroonheilige van deze parochie zonder hoop? Het is nuttig de etymologie van de naam op te zoeken. Het onvolprezen Frans-Latijns woordenboek van Gaffiot geeft voor precarius onder meer: donné par complaisance, uit welwillendheid verleend, en ook: mal assuré, passager, onzeker, voorbijgaand. Mijn oud Latijns schoolwoordenboek voegt eraan toe: door bidden of smeken verkregen, afgebedeld, en: van een anders wil afhankelijk.

Denk nu niet dat de parochie van Sint-Precarius ontsproten is aan de op hol geslagen fantasie van een melancholieke dichter. Ze bestaat echt. Reis met mij door tijd en ruimte, naar Milaan, 2004. Daar ging de eerste processie uit die het beeld van Sint-Precarius ronddroeg. Wat opviel was dat in de stoet alleen jong volk liep, pas afgestudeerd, pas werkend, pas werkloos. De devotie verspreidde zich snel. In verschillende landen stroomden op pleinen van grote steden duizenden jonge mensen samen. Op die pleinen riep de toekomst. Waarom echoden dan jammerklachten tegen winkelruiten en klokkentorens? Waarom niet de dreun van een dansfeest? Een ode aan het leven? Deze jongelui smeekten om genade aan de voeten van Sint-Precarius. Allen woonden noodgedwongen in zijn parochie zonder hoop.

Dat was 2004. De eerste parochianen van Sint-Precarius waren dus geen slachtoffers van de financiële en economische crisis. Die brak pas een paar jaar later uit. In 2004 leek het er nog op dat ons economische stelsel niet kón falen. Trok het niet, zegeningen rondstrooiend, door de hele wereld?

Ik voer u terug naar één van de betekenissen van precarius: door bidden of smeken verkregen. Deze jongelui moesten en moeten gunsten afsmeken van schimmige weldoeners, niet van Sint-Precarius, van hun werkgevers. Zij konden en kunnen geen enkel recht laten gelden. De grillen van de gunner zijn onvoorspelbaar. Vandaag laat hij schaarse goudstukken vallen in Europa. Morgen werpt hij met achteloos gebaar nog schaarsere goudstukken naar Chinezen of Nigerianen.

Zoiets heet ‘globalisering’. En globalisering is de toekomst. Wee je gebeente als je de euvele moed zou hebben je te verzetten. Ga liever een kaars branden voor Sint-Precarius.

Mijn stelling luidt als volgt. De financiële en economische crisis die nu al vier jaar Europa teistert, wordt gebruikt om de grondslagen van de Europese beschaving te vernietigen. De verzorgingsstaat. De democratie.

Wordt gebruikt. Door wie dan wel? Door de Europese instellingen: de Europese Commissie en de Europese Centrale Bank, maar zonder enige twijfel ook de Raad van Ministers en buiten Europa door het Internationaal Monetair Fonds, al kunnen we vaststellen dat in die laatste instelling een verscheurende richtingenstrijd woedt. Tevens gedragen politici in té veel lidstaten van de Unie zich als zendelingen die met blinde geloofsijver de destructieve boodschap uitdragen.

Zij eisen dat wij allen toetreden tot de parochie van Sint-Precarius. De meisjes en jongens die in 2004 tegen heug en meug de parochie bevolkten, waren proefkonijnen. Zij hebben een paar jaar later ontdekt dat zij niet langer de enige parochianen zijn. Zij sluiten verontwaardigde bondgenootschappen met jongelui zonder scholing, met werklozen van veertig jaar, zelfs met managers die tot hun eigen verbijstering merkten dat hun collega’s hen zonder boe of bah te zeggen op de mesthoop slingerden. De rangen van de parochianen groeien aan. Elke dag.

Vandaag gaat het over bejaarden en kleine kinderen, over postbodes en kruideniers, over moeders en vaders, over hele volkeren, althans, negenennegentig procent ervan. En vooral over jonge mensen, mensen die op de drempel van het grote leven staan. Hun toekomst is dood. In Spanje heeft meer dan de helft van de jongeren geen werk en zelfs geen uitzicht op werk. In Spanje, in Portugal, in Griekenland, in Italië, zie je hoe het soort economie dat wij laten woeden de jeugd de strot dichtknijpt. De economie die de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en aanverwante propageren, doodt de hoop.

Maar het begint te dagen. In november 2008 had de wellicht belangrijkste politieke denker van het hedendaagse Duitsland, Jürgen Habermas, het in een lang gesprek met het weekblad Die Zeit over hemeltergende sociale onrechtvaardigheid: „Nu moet de massa van hen, die toch al niet de winnaars van de globalisering zijn, nog een keer te betalen voor de reële economische gevolgen van een voorspelbare functionele storing in het financiële systeem”.

Als Habermas niet zo’n nuchtere man was, zou ik hem een profeet noemen. Sindsdien begrijpt de massa waar Habermas het over had iedere dag beter dat de heersende elites hun grote stilzwijgende afspraak met de burger eenzijdig hebben opgezegd. Die grote stilzwijgende afspraak kreeg geldigheid vlak na 1945, na de bevrijding. Ze luidde als volgt. De heersende klasse mag zoveel rijkdom vergaren als ze wil, zolang de doorsnee burger een belegde boterham verdient en liefst ook nog een degelijke sociale zekerheid heeft. Die afspraak is doorbroken. Sinds de jaren tachtig hebben de elites aan weerszijden van de Atlantische Oceaan de spelregels eenzijdig veranderd en zodoende de betrekkelijke harmonie tussen de klassen ontwricht. Warren Buffett, een van de rijkste mensen ter wereld, zegt het heel lucide: „Eigenlijk was er de laatste twintig jaar een klassenoorlog aan de gang en mijn klasse heeft gewonnen”.

Iedere dag vreest de burger meer dat de economische, financiële en existentiële crisis die Europa door elkaar schudt, ontaardt in totale chaos. Tevergeefs probeert het officiële Europa zich los te worstelen. Het einde van de crisis ligt nu wel zeker in het verschiet, zeggen Draghi, Barroso, Van Rompuy. In het verschiet ligt alleen de volgende jobstijding. De financiële markten houden Europa in een ijzeren wurggreep. Europa mag nog zo driftig tegenspartelen, de kansen keren niet. Ja, voor een uur of drie, zoals die keer dat Spanje 100 miljard euro toegeschoven kreeg van de ECB. Als het meevalt duurt het een dag. Een week.

„Een maand! Drie maanden nu al!” roept het koor der opgeluchte eurocraten. Sinds de voorzitter van de ECB, Mario Draghi, zijn Raad van Bestuur zover kreeg dat de bank door middel van het Europese solidariteitsmechanisme staatsobligaties van noodlijdende landen kan opkopen om zodoende de rente op dergelijke obligaties ferm te laten dalen, lijken de financiële markten wat minder bloeddorstig te zijn. Dat de landen die dergelijke steun nodig hebben door het stof moeten kruipen, dat dus in die landen de democratie moet wijken voor de technocratie, wie kijkt er nog van op?

Maar er is nog iets anders. Wat de ECB beslist heeft, komt neer op de creatie van geld. Het is nauwelijks een karikatuur als je zegt dat Mario Draghi als het zo uitkomt aan de geldpers zal draaien. En ik die altijd gedacht had dat dat veeleer iets was voor mensen als Moboetoe.

Nu krijg je, zeer vereenvoudigd gesteld, inflatie als je te veel geld in omloop brengt in vergelijking met je productie. De burger merkt dat aan stijgende prijzen. De ECB had juist tot doel schild en wapen te zijn tegen inflatie. Ik weet het wel, voorlopig zit het geld bij de banken en laten de banken het niet de economie in vloeien. Maar wat gebeurt als om een onnaspeurlijke reden de banken het overtollige geld wél loslaten en de ECB het níét opslorpt, als met andere woorden de monetaire stuwdam breekt en stromen geld over ons heen spoelen? De Duitsers zijn bang voor een herhaling van 1923, toen hun voorouders miljarden rijksmarken moesten betalen voor één postzegel en met een kruiwagen geld een brood gingen kopen. Misschien hebben de Duitsers niet helemaal ongelijk.

Niet alleen populisten, communisten of regelrechte fascisten zijn tot het inzicht gekomen dat er iets schort aan de Europese tactiek en strategie. Het zijn rustige, nijvere burgers die hun hart voelen krimpen van angst, burgers die allang tevreden zouden zijn met een doordeweeks bestaan, die niet meer verlangen dan een simpel huisje, als het even kan met tuintje, die kindertjes willen, werk waar ze aardigheid in hebben en dan ook een loon waar ze met hun gezin fatsoenlijk van kunnen leven. Is dat allemaal kleinburgerlijk, alledaags, banaal? Jazeker, het is banaal. Tot het onbehagen binnensluipt: zelfs dit gunnen ze ons niet, zelfs dit kleine geluk proberen ze ons te ontfutselen, ze proberen ons in te wrijven dat die gezapige tevredenheid voor miljoenen te hoog gegrepen is, ze zwepen ons naar de parochie van Sint-Precarius.

Wensen ter grootte van een achtertuin, daarover gaat het. Ze zitten diep in de ziel van de Europeanen én van niet-Europeanen: billijk betaald werk, een klein huis, een gezin. Dat noem ik stuk voor stuk rationele wensen. Zij zijn rationeel in de betekenis die Van Dale eraan geeft: doordacht, weloverwogen, verantwoord, verstandig. Er zijn allerlei uitgangspunten van rationaliteit denkbaar. Dat idee is vandaag nuttiger dan ooit, nu het er steeds meer op lijkt dat nog slechts één rationaliteit bestaansrecht heeft, de economische, die dicteert dat mensen altijd het maximale voordeel voor zichzelf nastreven.

Bij mij thuis om de hoek woont de Europese Commissie. De Europese commissarissen … tussen haakjes, vreemd toch dat deze zelfverklaarde weldoeners van ons allen zich sieren met dezelfde titulatuur als destijds de volkscommissarissen van kameraad Stalin. De Europese commissarissen lijken vastbesloten de huis-, tuin- en keukenvrede van tientallen miljoenen duurzaam naar de duivel te helpen. Die huis-, tuin- en keukenvrede, die beperkte, maar democratisch geschraagde ambitie is pas mogelijk gemaakt, dankzij een van de allergrootste prestaties van de Europese beschaving. Ik bedoel de verzorgingsstaat, of noem het de sociale zekerheid.

De sociale zekerheid is een hoeksteen van de Europese beschaving én van de algemeen menselijke beschaving. Nu weten we allemaal dat boeven en beulen uit vele Europese landen in naam van de Europese beschaving gemarteld hebben, gebrandschat, geroofd, verkracht. De schitterendste steden hebben we verwoest, hele volkeren hebben we uitgemoord, wij Europeanen, wij die predikten dat we de beschaving brachten naar de vier windstreken. De verwoesting van Tenochtitlán. De Hollandse slavenschepen. De afgehakte handen van de Congolezen. Auschwitz.

Dat alles is Europa. Maar Europa, dat is ook Jan van Eyck, Rembrandt, Picasso. Europa, dat is ook Bach, Mozart, Mahler. Europa, dat is ook Homerus, Dante, Cervantes, Stendhal. De Piazza del Campo in Siena, de Grote Markt in Brussel. Dat alles is Europese beschaving. Ik woon dicht bij het Schumanplein in Brussel. Het contrast met de Grote Markt doet pijn aan de ogen. Telkens als ik op de van goden en mensen verlaten vlakte van het Schumanplein sta, besef ik: dit Europa is een gevaar voor de Europese beschaving.

De sociale zekerheid zoals België, Zweden, Frankrijk, Nederland en tot voor korte tijd ook Duitsland haar sinds de negentiende eeuw en vooral in de jaren na 1945 hebben geconstrueerd, moeten wij zonder voorbehoud een kroonjuweel van de Europese beschaving noemen. De bijdrage die de sociale zekerheid geleverd heeft aan de Europese beschaving is even waardevol als die van de Franse kathedralen, de symfonieën van Beethoven, de schilderijen van Vermeer, Faust van Goethe of de romans van Camus. De opbouw en het behoud van de sociale zekerheid vergen visie, verbeeldingskracht, technische kennis, vernuft, rationaliteit; precies die eigenschappen die Beethoven nodig had om zijn symfonieën te componeren, die de bouwmeester van een kathedraal nodig had om de zwaartekracht te tarten. Ik weet het: visie, vernuft, techniek, die gebruik je ook om een rotte hypotheek te verknippen tot een reeks duizelingwekkend ingewikkelde afgeleide financiële producten en om er dan via hefboomfondsen miljoenen mee te grijpen.

Net daar ligt het verschil. Wie de sociale zekerheid opbouwt, gebruikt al dat vernuft, al die verbeeldingskracht, al die rationaliteit om het rijk van de solidariteit te vestigen. Wie een hefboomfonds uitbuit, gebruikt zijn vernuft, visie, rationaliteit om geld te pakken, veel geld, in zijn zog een spoor van vernieling.

De sociale zekerheid is ten diepste ethisch. Wie werkt aan de sociale zekerheid geeft blijk van een grote morele verantwoordelijkheidszin, zoals Beethoven daar blijk van gaf in zijn symfonieën. Wie speculeert, geeft blijk van een volslagen gebrek aan morele verantwoordelijkheidszin. De financiële markten zijn ten diepste onethisch. Niet amoreel, immoreel.

We kunnen het ons niet veroorloven het te vergeten, zeker vandaag niet: de sociale zekerheid beschermt ons drie keer tegen armoede: armoede door ziekte, armoede door werkloosheid, armoede door hoge leeftijd. Anderhalve eeuw geleden was dat een duivelse drievuldigheid waaraan de grote meerderheid van de mensen niet kon ontsnappen, een grondschot voor iedereen die niet door afkomst, dom geluk of eigen ijver – want ook van eigen ijver kennen we voorbeelden, bewonderenswaardige voorbeelden – in de betere standen belandde.

Indien dus de heer Draghi in de Wall Street Journal zegt dat Europa’s sociale model al verdwenen is en dat het traditionele sociale contract van het continent verouderd is dan bestempelt de grote baas van de ECB zichzelf tot vijand van de Europese beschaving. En mocht iemand nog illusies koesteren, wanneer de Financial Times vraagt of de besparingsprogramma’s niet erg hardvochtig zijn en of sommige landen niet in feite leven in een gevangenis voor schuldenaars, antwoordt Draghi: „Ziet u enig alternatief?” Draghi is een hoge geestelijke in de parochie van Sint-Precarius. We zijn dus gewaarschuwd. Door de voorzitter van de een der hoogste Europese instanties in hoogsteigen persoon. De barbaren staan niet voor de poorten. De barbaar zit binnen onze wallen.

Vandaag, in tijden van nanotechnologie, is het geloof in de onzichtbare hand nog steeds de heersende religie der economen. Toegegeven, andersdenkende economen bestaan, ik heb er zelfs al ontmoet. Hun afwijkende ideeën dringen nauwelijks door tot de hogere geestelijkheid van de Sint-Precariusparochie. Die werpt zich plat ter aarde voor de lege plek waar zij de onzichtbare hand vermoedt. Ik heb altijd gedacht dat economie fungeerde als een soort theologie van een obscuur bijgeloof. Maar dit tart toch de verbeelding.

Stelt u zich nu één ogenblik voor: een gezaghebbend hoogleraar economie in Leiden of Harvard zou in alle ernst verkondigen dat het handelen van miljarden mensen in goede banen wordt geleid door de Onzichtbare Grote Teen of het Onzichtbare Oorlelletje. Echter, wie verkondigt dat ons leven in goede banen wordt geleid door de Onzichtbare Hand, mag jaren lang de baas zijn van de Federal Reserve. De Bende van de Onzichtbare Hand, het lijkt wel de titel van een spannend jongensboek uit de jaren vijftig. Nee hoor. Economen beschouwen hun bijgeloof uit de pruikentijd als het summum van hedendaagse rationaliteit. Zelfs een catastrofe van cyclopische omvang kan hen niet aan het wankelen brengen.

    • Geert van Istendael