De kracht van tweederangs bestsellers

Literatuurwetenschap

Er wordt nog altijd wetenschappelijk neergekeken op populaire leesboeken. Ten onrechte zegt Erica van Boven.

Illustratie Rhonald Blommestijn

Zijn literatuurstudies wetenschap? Toen de allereerste leerstoel neerlandistiek in 1796 in Leiden werd ingesteld, werd dat al beschouwd als ‘eene bedenkelijke nieuwigheid’. En bijna twee eeuwen later fulmineerde Karel van het Reve in zijn Huizinga-lezing ( Het raadsel der onleesbaarheid, 1978), tegen de gewichtigdoenerij van zijn geleerde collega’s. Hij verweet hen ‘literatuur van slechte kwaliteit buiten de literatuur te plaatsen’, waardoor ‘een van de interessantste verschijnselen der literatuur’, het kwaliteitsverschil ten onrechte buiten het vak werd gehouden.

Erica Van Boven (1952), universitair hoofddocent Nederlands aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen en hoogleraar Letterkunde aan de Open Universiteit, begrijpt dat er vragen worden gesteld over het wetenschappelijke karakter van het bestuderen van literatuur. “Zeker in deze tijd”, licht ze toe, “waarin we als maatschappij vooral toetsbare uitspraken van de wetenschap verwachten. De definitie van wetenschap is echter voortdurend aan verandering onderhevig en iedere tijd dicht de wetenschap andere taken toe.”

Van Boven: “Tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw werd veel belang gehecht aan de structuur van literaire teksten en het doen van onderzoek naar de betekenis van ‘canonboeken’. De canon is de kwaliteitsliteratuur zoals die door de eeuwen heen is vastgesteld door ‘de mannen van smaak’, zoals collega Nico Laan de literaire elite noemt. Tegenwoordig wordt literatuur vaak onderzocht vanuit een cultuursociologische invalshoek. Daarbij draait het om de vraag hoe dat onderscheid tussen hoge en lage literatuur eigenlijk tot stand is gekomen.

Dat meer sociologische onderzoek, zoals naar hoe in bepaalde periodes boeken werden gewaardeerd en gelezen, heeft een groot voordeel. „De onderzoeksuitkomsten zijn beter controleerbaar en toetsbaar dan die van de, in de vorige eeuw populaire, close reading studies, waar het ging om een nauwkeurige analyse, interpretatie en evaluatie van literaire teksten, met alle subjectiviteit van dien.”

Van Boven pleit voor onderzoek naar de sociale werking van literatuur. “En moeten we dan de populaire boeken, de literair minder interessante bestsellers die wel een grote rol in de samenleving hebben gespeeld, niet ook tot het onderzoeksprogramma van de literatuurwetenschap rekenen?”

Het antwoord op deze vraag geeft Van Boven in Het belang van de tweede rang, de oratie die zij eind oktober als hoogleraar Letterkunde aan de Open Universiteit uitsprak. Daarin ontrafelt ze de beelden, ideeën en mythen die in het verleden gebruikt zijn om de publieks– of amusementsliteratuur buiten de deur van de literatuurwetenschap te houden. Zoals het idee dat kwaliteitsliteratuur en publiekssucces niet samen zouden kunnen gaan. “Vanzelfsprekend krijgen boeken als Jan den Hartogs Hollands Glorie ook een plaats in het onderzoek”, vindt Van Boven. “Het boek verscheen in 1940 en gaat over het begin van de zeesleepvaart en de lotgevallen van een eenvoudige zeeman die een bliksemcarrière maakt van matroos tot kapitein. Het is spannend en dus plezierig om te lezen. Tegelijkertijd zit er een duidelijk stel normen, waarden en beelden in verpakt dat aansluit bij de samenleving van toen.”

Het hoedenproletariaat: de lezende middenklasse groeide snel in de vooroorlogse jaren. Daardoor nam het aantal bibliotheken toe en ook de boekpromotie werd steeds belangrijker. “Sinds de verschijning van het boek zijn miljoenen exemplaren van ‘Hollands Glorie’ verkocht. Het was een onverwachte bestseller, zoals De Da Vinci Code van Dan Brown en Knielen op een bed violen van Jan Siebelink dat in 2003, 2005 en daarna ook waren.

“Vaak zijn het de middlebrow boeken die het gesprek van de dag zijn, niet de receptmatig gemaakte pulp. Kennelijk raken ze aan iets in de samenleving, waarvan niemand zich tot dan toe bewust was dat het leefde. Deze boeken werken als sociaal bindmiddel. Daarom moeten we die teksten bestuderen. Niet zo zeer om dat vermeende kwaliteitsverschil tussen highbrow, middlebrow en lowbrow in kaart te brengen, zoals Van het Reve beoogde, maar om te doorgronden wat literatuur voor mensen betekent, wat de functie van literatuur in de samenleving is. En om te ontdekken wat de stilistische en thematische kenmerken van een periode waren.”

Hoe staan uw vakgenoten tegenover uw pleidooi voor onderzoek naar bestsellers?

“Positief. Het is een duidelijke trend binnen de literatuurwetenschap dat men open staat voor onderzoek naar teksten en genres die voorheen over het hoofd werden gezien. Degenen die moeite hebben met de veranderde onderzoekshouding binnen de literatuurwetenschap zijn vooral literatuurcritici, die ook worden geacht te schiften, en literaire auteurs. In Het geluk van de eenzaamheid uit 2009 verzet Connie Palmen zich bijvoorbeeld hevig tegen het eigentijdse vermengen van de hoog-laagcultuur. Ze noemt voorwaarden waaraan echte literatuur volgens haar hoort te voldoen. Zo hamert ze op originaliteit. Iedere literaire schrijver zou volgens Palmen oorspronkelijk moeten denken. Los van wat gangbaar is. Dat zou zich vervolgens moeten vertalen in een verrassende vorm en stijl.

“Binnen de literatuurwetenschap zijn we het er al zo’n dertig jaar over eens dat literaire kwaliteit niet objectief is vast te stellen en dus niet meetbaar is. De vraag wat goede en wat slechte boeken zijn, valt niet te beantwoorden op basis van alleen de tekst. Dat betekent niet dat de ene roman niet beter is dan de andere, maar wel dat literaire waarde iets is dat bepaald wordt door lezers en dus veranderlijk is. Couperus werd in zijn eigen tijd vooral geprezen vanwege zijn sprookjes. Terwijl hij nu wordt geroemd om werk als De boeken der kleine zielen. Juist dat verschil in waardering is interessant. Maar dan moet je kijken naar de hele breedte van het literaire veld: de markt, de literaire kritiek, de literatuuropvattingen én de modeboeken.”

Is er al veel onderzoek naar de literatuur van de tweede rang?

“In Nederland moeten we nog beginnen. Voor de literaire smaakoordelen, is al wel langer academische aandacht. De ontstaansgeschiedenis daarvan – het langdurig zeefproces dat de literaire canon heeft voorgebracht – is wel bestudeerd en beschreven. In mijn eigen proefschrift uit 1992 heb ik bijvoorbeeld onderzocht waarom en hoe populaire vrouwenboeken van vrouwelijke auteurs als Top Naeff en Ina Boudier-Bakker uit de literatuurgeschiedenis zijn gemanoeuvreerd. De toenmalige mannen van smaak moesten weinig hebben van bestsellers én van vrouwen in de kunst. Die damesromans verdwenen zo uit beeld terwijl ze een grote impact op het publiek hadden. De meeste middlebrow-teksten liggen nog te wachten om nader onderzocht te worden. Met dank aan de elite, die de officieuze literatuur te lang een mindere kunstvorm vond.”

Ging dat in andere landen ook zo?

“Ja. Het weren van succesboeken uit de literatuurwetenschap is lang een internationaal verschijnsel geweest. Al werd in Nederland de scheidslijn tussen eerste en tweede rang wel scherper getrokken dan in de Verenigde Staten en ook in Engeland en Frankrijk. Daar bestormde de eerste rang soms onverwachts de koppositie in de bestsellerlijsten. Een staatsbegrafenis zoals de populaire Franse schrijfster Colette ten deel viel toen zij in 1954 stierf, zou voor een Nederlandse publieksschrijfster als Willy Corsari ondenkbaar zijn geweest. Onze calvinistische volksaard heeft ongetwijfeld een rol gespeeld in het vormen van onze wat starre literatuuropvatting. Het zou ook zomaar de reden kunnen zijn waarom literatuurstudie van de middlebrow in Engeland en Amerika wel een bloeiende tak is binnen de literatuurwetenschap. Er bestaat in Engeland zelfs een middlebrow-network, waaraan ook literatuuronderzoekers uit andere landen kunnen deelnemen. Mijn Nijmeegse collega Mathijs Sanders en ik maken er inmiddels deel van uit.”

Wat is dat voor onderzoek?

“De Londense literatuurwetenschapper John Sutherland heeft het Britse en Amerikaanse bestsellerdom tot in detail onderzocht en concludeert dat de canonboeken en populaire boeken als communicerende vaten met elkaar verbonden zijn. Mark Twains Hucklebery Finn, dat in 1884 verscheen en iedereen als het begin van de Amerikaanse literatuur beschouwt, laat bijvoorbeeld zien hoe discutabel het criterium oorspronkelijkheid is. Dat boek, toont Sutherland aan, is doordrenkt met populaire fictie van on-Amerikaanse herkomst.

“Dat al die meesterwerken niet op zichzelf staan, bewijst ook de Amerikaanse literatuurwetenschapper Matthew Jockers met zijn macro-analyse van ruim 3.500 romans uit de negentiende eeuw. Zijn grootschalige analyse is gebaseerd op het principe van text mining: het gericht zoeken naar statistische overeenkomsten in een, in dit geval, gedigitaliseerde boekenbrij (zie kader).”

Kan deze onderzoeksmethode ook in Nederland worden toegepast?

“Eerst moet nog een belangrijke stap worden gezet op het gebied van het digitaliseren van literaire teksten. We hebben natuurlijk al toegang tot de DBNL, De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren, waarin steeds meer primaire en secundaire literaire teksten te vinden zijn. En afgelopen zomer is dankzij brede steun vanuit de wetenschappelijke en universitaire wereld het project Nederlab van start gegaan, een laboratorium dat onderzoekers uit de geesteswetenschappen de mogelijkheid zal bieden veranderingen in de Nederlandse taal, letterkunde en cultuur te traceren, met behulp van tekstanalysesoftware. Maar ja, het digitaliseringsproces is nog niet voltooid en dat lab gaat pas eind volgend jaar open. Vanaf januari ga ik met Mathijs Sanders al wel een project leiden dat de productie, distributie en receptie van Nederlandse middlebrow-literatuur uit de jaren dertig tot veertig zal onderzoeken, om het ontstaan van de publieksliteratuur in Nederland in kaart te brengen.”

Wat verwacht u van de uitkomst?

“Ik denk dat zal blijken dat onder invloed van de groeiende literaire markt en de toenmalige volksverheffingsidealen het nivelleringsproces van de literatuur al vóór de oorlog is begonnen. In de loop van de tijd zijn we allemaal steeds meer hetzelfde gaan lezen. Daardoor ontstond een bestsellercultuur. Het kan best zo zijn dat de opkomst daarvan ten koste is gegaan van de eerste rang. Misschien is er inderdaad minder ruimte voor kwaliteitsliteratuur. Dat beschouw ik als onderdeel van een maatschappelijke ontwikkeling die al in de jaren twintig, dertig is begonnen.”

Wat zal al dat onderzoek de maatschappij brengen?

“Er is meer dan economisch nut alleen. Literatuurwetenschap biedt inzicht in de dieperliggende patronen en ontwikkelingen van onze cultuur. En voor een aangenaam en zinvol bestaan is de literatuur van belang. Veel argumenten die het nut van de geesteswetenschappen verdedigen in de zin van praktisch nut komen nogal krampachtig over. De letterenfaculteiten in Nederland staan behoorlijk onder druk, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Duitsland. De tijd voor goed onderzoek binnen de literatuurwetenschap is alles behalve gunstig.”