Brieven

Lucht uit de motor (1)

Na het lezen van uw interessante artikel (Vliegen met een raar luchtje, Wetenschapsbijlage 1 & 2 december) bevreemdt het mij dat ik, die ongeveer 25.000 vlieguren heb waarvan ongeveer 20.000 uren op een Boeing 747, wat betekent dat ik ongeveer tweeënhalf jaar continu in een straalvliegtuig doorgebracht heb, geen enkel van de in het artikel voorkomende verschijnselen herken.

Nog steeds vlieg ik op oudere jumbo’s bij een Duitse vrachtmaatschappij vanuit Frankfurt-Hahn en ik ken geen collega, noch bij mijn vorige baas de KLM noch bij mijn huidige werkgever met een ‘aerotoxic syndrome’.

Alfred Agteres

Per e-mail

Lucht uit de motor (2)

Ik heb 32 jaar gevlogen als lid van het cabinepersoneel van de KLM, van 1957 tot 1989, en ik word niet echt door paniek bevangen na het lezen over het aerotoxic syndrome. Altijd geweten dat vliegen niet gezond was! Ik worstel echter sinds begin 80-er jaren met allerhande niet te duiden gezondheidsproblemen:slechte leverfuncties, zeer ernstige vermoeidheid (tot nu toe toegeschreven aan primaire hemochromatose) en apneu-achtige verschijnselen, maar ook zeer uitgebreid neurologisch onderzoek leverde geen diagnose op. Zo tegen mijn tachtigste kan ik me niet echt meer opwinden, maar nadere studie naar het aerotoxic syndrome komt, lijkt me, niet te vroeg.

Jacques Bruggeman

Per e-mail

Lucht uit de motor (3)

In juni 2000 ervoer ik een ongewoon scherpe, misselijk makende lucht in de cabine van een BAe 146 op weg van het eiland Man naar Heathrow. Het cabinepersoneel gaf als reactie op klachten van passagiers dat ‘het zo dadelijk beter wordt’. Bij de landing werd het juist nog erger. Ik heb toen op internet gezocht en vond in discussiefora rapportages over soortgelijke incidenten met BAe 146 toestellen in Australië. In oktober 2000 publiceerde de Australische senaat een rapport over deze incidenten en deed een aantal aanbevelingen.

In november 2000 werd zowel de gezagvoerder als de first officer onwel tijdens de landing van een BAe 146 in Birmingham. De piloot zag dubbel en kon de hoogte moeilijk inschatten. Het toestel landde veilig en de vliegers werden in het ziekenhuis opgenomen. Een olielek in de APU werd in verband gebracht met de verschijnselen bij de vliegers. Op 5 januari 2001 gaf British Aerospace een service bulletin uit met aanwijzingen om verontreiniging van de cabinelucht te voorkomen het bedrijf gaf het advies meteen de zuurstof maskers te gebruiken zodra een bemanningslid onwel wordt.

Zelf heb ik vele vluchten gemaakt met de BAe 146 of zijn opvolger Avro RJ van CrossAir of Sabena/Brussels Airlines en ik heb nooit meer dezelfde ervaring gehad als destijds met Manx Airlines.

Na de publicatie in de NRC afgelopen zaterdag heb ik opnieuw naar meldingen over de kwaliteit van de cabinelucht gekeken. Het valt op dat de BAe 146 vrij vaak genoemd wordt. Dit geeft de indruk dat het toestel is oververtegenwoordigd bij de meldingen van dit probleem, als men in aanmerking neemt het totaal aantal van 387 gebouwde toestellen in vergelijking met bijvoorbeeld de meer dan 7.000 die zijn gebouwd van de Boeing 737.

Ondertussen heeft men in Australië niet stil gezeten. Gezagvoerder Susan Michaelis, een van de medewerkers aan het onderzoek van de Australische senaat, is op het onderwerp verder gaan studeren en heeft in 2010 haar PhD behaald. In 2008 schreef zij Aviation Contaminated Air Reference Manual. Susan Michaelis is nu hoofd research van de GCAQE (Global Cabin Air Quality Executive) een lobbygroep van cabinepersoneel uit vele landen.

Ten slotte mag het werk van Nickolas Vakas niet onvermeld blijven. Hij promoveerde in 2008 op een proefschrift over de verstrengeling van belangen, waarbij hij de rol die de Britse Civil Aviation Safety Authority speelde vergeleek met het Australian Transport Safety Bureau, en het rapport van de Australische Senaat met dat van het Britse House of Lords.

Het is duidelijk dat het in het NRC- artikel geschetste probleem al jaren bekend is en dat er ook al veel onderzoek naar is gedaan. Het zou interessant zijn te onderzoeken of er een relatie is tussen het vliegtuigtype en een eventueel risico voor de bemanning.

N.B. De Dreamliner is niet het eerste toestel dat geen bleed air gebruikt: de Concorde ging er in voor.

J.P. Peters

Per e-mail

Talenstudies

In het zeer lezenswaardige artikel over de dreigende opheffing van Deens, Fins, Hongaars en Noors aan de Rijksuniversiteit Groningen (Deens studeren in Groningen - Nei, tak, Wetenschapsbijlage, 8 & 9 december 2012), wordt een enigszins vertekend beeld geschetst van de opleiding Europese Talen en Culturen aan de Rijksuniversiteit Groningen. Deze opleiding gaat niet volgend jaar van start, zoals gesteld in het artikel, maar is al in september van dit jaar begonnen. Het besluit tot schrappen van vier talen uit het aanbod is dus genomen terwijl het programma al liep, en studenten in de veronderstelling verkeerden dat zij uit tien talen zouden kunnen kiezen. Ook is de instroom voor deze en andere ‘kleine’ talen niet zo laag als wordt gesuggereerd. De genoemde aantallen (Hongaars en Noors 0, Deens en Fins 1, Zweeds en Russisch 9) zijn de vooraanmeldingen in augustus van dit jaar, toen nog lang niet alle studenten een keuze hadden gemaakt. Studenten krijgen het eerste semester inleidende vakken, en kunnen zich pas vanaf 17 december inschrijven voor de taal van hun keuze. Naast deze hoofdtaal kunnen zij ook nog een tweede taal kiezen, en de ervaring leert dat juist ‘kleine’ talen vaak als bijvak gekozen worden. Voor Zweedse taalvaardigheidscolleges gold vorig jaar zelfs een numerus fixus. Kort voor de bekendmaking van het besluit tot afschaffing was er nog een voorlichtingsweek, waarin veel belangstelling voor de ‘kleine’ talen was. Hoeveel studenten uiteindelijk voor die talen gekozen zouden hebben, zullen we misschien nooit weten, maar het waren er zeer waarschijnlijk meer geweest dan hierboven genoemd.

P.S. De in het artikel genoemde petitie is hier in te zien: http://www.gopetition.com/petitions/save-languages-in-groningen/signatures.html. Op het moment van schrijven zijn er al ruim 4.000 handtekeningen verzameld.

Prof. dr. Muriel Norde

Hoogleraar Scandinavische Taal- en Letterkunde RUG

Bewegen en statinen

Ik vind het een compliment waard dat in de NRC het positieve effect van beweging op het voorkómen van hart- en vaatziekten weer eens wordt benadrukt (Bewegen beschermt vaak beter tegen hartdood dan statinen, Wetenschapsbijlage, 1 & 2 december). Dit geldt met name voor een maatschappij waarin overgewicht een steeds grotere rol lijkt te spelen. Beweging zorgt voor een verhoogde doorbloeding, vetverbranding en bovendien voor een toename in HDL, het zogenaamde ‘goede’ cholesterol. Vaak is een tekort aan lichaamsbeweging juist de oorzaak van een te hoog gehalte aan ‘slecht’ cholesterol en daaraan gerelateerde hart- en vaatziekten. Het lijkt mij daarom een uitdaging om met name deze groep patiënten te stimuleren om meer te bewegen. Ik ben van mening dat er door zowel arts als apotheker meer aandacht voor het voldoende informeren van patiënten over de positieve invloed van beweging, in de vorm van bijvoorbeeld (begeleid) sporten, op het cholesterolgehalte zou moeten komen. Bij onvoldoende effect kunnen statinen altijd nog worden voorgeschreven. Wat betreft vervelende bijwerkingen die soms onontkoombaar zijn bij het gebruik van statinen, zoals spierpijn en rhabdomyolyse (ernstige spierafbraak), geldt naar mijn idee namelijk het motto: ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Hierbij zou een uitzondering moeten worden gemaakt voor patiënten met familiaire hypercholesterolemie, waarbij genetische aanleg de oorzaak van een te hoog cholesterolgehalte is.

Danique Giesen

Apotheker in opleiding, Zwolle

Nest als een asbak

Lucas Brouwers onthult dat sommige vogels tabaksresten in hun nesten verwerken (Nest als een asbak, Wetenschapsbijlage, 8 & 9 december). Dat is niet zo opmerkelijk als je weet dat reeds in het begin van de vorige eeuw, en wellicht nog veel langer geleden, duivenmelkers hun duiven lieten nestelen met zogenoemde tabaksstelen, de gedroogde middennerven van tabaksbladeren.

Ook kippenfokkers gooiden tabaksstelen in de legnesten van de kippen tegen vogelluis en bloedluis. Een probaat middel, dat te koop was bij dierenspeciaalzaken en sigarenmakers. De dieren hebben dan zelden last van luizen. Mijn vader (1870-1929), gebruikte het ook al.

J.D.W. Kievits

Kippenfokker

Santpoort Noord

Hanepoten

Ik wil bij deze reageren op het artikel van Ellen de Bruin (Hanepoten en kippeschrift, Wetenschapsbijlage, 8 & 9 december). De gebruikte zin voor haar handschrifttest – ‘The quick brown fox jumps over the lazy dog’ – is niet zo onzinnig als hij lijkt. In de tijd dat telegrafie nog bestond, was het een gebruikelijke testzin om de afstemming en kwaliteit van de apparatuur en de verbinding vast te stellen. De verbinding kon een radio- of een kabelverbinding zijn, die niet doorlopend in dienst was, waarop gewerkt werd met teletypes.

Het kenmerkende van het zinnetje is dat alle letters van het alfabet erin voorkomen. Hij werd verder uitgebreid met 1234567890 ryryryry.

De signalen waren gebaseerd op een code, die zichtbaar was op ponsbanden. In het midden zaten gaatjes voor het transport met daarboven 2 en eronder 3 gaatjes. Een combinatie van die gaatjes geeft het teken aan. Met ry werden alle gaatjes boven en ondergebruikt.

De test werd op papier afgedrukt in rijen onder elkaar, zodat fouten zichtbaar werden. De ponsband werd met de uiteinden aan elkaar gehecht waardoor een zogenaamde ‘roundslip’ ontstond, die doorlopend in een automaatje werd rondgedraaid.

Roundslip was ook de bijnaam van een veel pratende collega.

G.Klaver

Per e-mail

    • J.P. Peters
    • Danique Giesen
    • J.D.W. Kievits
    • Alfred Agteres
    • Prof. Dr. Muriel Norde
    • Jacques Bruggeman