Verdwenen

Toen ik in 1954 in Amsterdam kwam wonen leerde ik in de kroegen een woord kennen wat ik nog nooit had gehoord: adenooi. Het betekent zoiets als „nee, maar!” of „grote God”, wat het ook letterlijk betekent. Als men zijn verbazing extra nadruk wilde geven, zei men ‘attenooie’, met de nadruk op atte.

Ook hoorde je wel ‘adenomdelaheine’. Die woorden hoor je tegenwoordig niet meer in de Amsterdamse cafés.

Een tijdlang heb ik in de Nieuwe Kerkstraat gewoond, vlakbij de Jodenbreestraat. Die was in die tijd net zo smal als de Antoniesbreestraat nu. Op de hoek was de kroeg van Jan en Doortje, die later verhuisd zijn naar café Het Hooischip, aan de Amstel, vlakbij de Blauwbrug, tegenover de Stopera. In de Jodenbreestraat waren veel Joodse winkels, waar ik me vergaapte aan al die stokvis die er hing. Er was een Joodse broodjeszaak, die, omdat de eigenaar een knobbel op zijn kale hoofd had, „broodje Bult” werd genoemd, waar ik als goj uit de provincie de grote fout beging een glaasje melk bij mijn broodje halfom te bestellen.

Recht tegenover de kroeg was de sigarenzaak van mevrouw Waterman, de moeder van David Waterman, bekend geworden als de jongleur Dave Parker, die voor zijn artiestennaam het ene vulpenmerk inruilde voor het andere.

De Jodenbreestraat werd verbreed, de Joodse winkeltjes zijn, de een na de ander, verdwenen en, voorzover mij bekend, nooit meer ergens anders opgedoken. Waarom is mij een raadsel. Alleen de kosjere broodjeszaak van Sal Meijer in de Scheldestraat bestaat nog, als een Jiddische enclave.

En helaas zegt bijna niemand meer Mokum als hij Amsterdam bedoelt.

    • Peter van Straaten