Sprookje ontdekt uit Andersens puberjaren

Hans Christian Andersen schreef het sprookje De vetkaars voor zijn buurvrouw, de weduwe Blunkeflod. De jonge Andersen was toen leerling aan de Latijnse school. Zijn moeder was aan de drank, zijn vader overleden en bij weduwe Blunkeflod vond hij steun.

Later gaf Blunkeflod een door haar zelf geschreven kopie aan de familie Plum. In hun nalatenschap, opgeslagen in het Nationaal Archief van Denemarken, is het sprookje onlangs gevonden.

Na twee maanden studie wist Andersen-kenner Ejnar Stig Askgaard het zeker: Taellelyst, ofwel De vetkaars is van de hand van H.C. Andersen (1805-1875).

Andersen is de auteur van wereldberoemde sprookjes als De kleine zeemeermin, Het meisje met de zwavelstokjes en Het lelijke eendje. Ze zijn de meest vertaalde verhalen ter wereld en razend populair tot in China en Japan.

De vetkaars in het sprookje beleefde een spectaculaire geboorte - zijn moeder was schaapje, zijn vader de smeltkroes waar het vet uit haar vacht werd gesmolten. Maar de jonge vetkaars had daarna een moeilijke jeugd. „Hij begreep niet waarom hij was geschapen, waarom hij op deze aardkloot moest zijn.” Maar dan ontmoet hij een tondeldoos, een soort aansteker. Alles verandert. De kaars licht op en brandt tot ieders genoegen. Anderson schreef De vetkaars tussen 1820 en 1824. Tot vorige week was zijn oudste bekende werk uit 1829.