Goedkope mode bestaat niet

Ontwerp van Elsien Gringhuis, die verantwoorde mode maakt (foto Peter Stigter)

Een kwart van alle pesticiden in de landbouw wordt gebruikt in de katoenteelt. Voor de productie van kleding zijn enorme hoeveelheden water nodig. Textiel is goed voor tien procent van de wereldwijde CO2-uitstoot, en bijna de helft van de afvalwaterproblemen in de wereld heeft te maken met de textielproductie. Eenzesde van de wereldbevolking werkt in de kledingindustrie. Daar zitten vooral mensen uit ontwikkelingslanden bij, die vaak niet eens kunnen rondkomen van hun inkomen.

Kortom: de mode-industrie heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een van de meest vervuilende – alleen de olie-industrie is erger – en mensonvriendelijke bedrijfstakken die er zijn.

Onlangs verschenen twee Nederlandse boeken die de weg willen wijzen naar een groenere, eerlijkere mode: Mode voor morgen, van journalist en trendanalist Lynsey Dubbeld (37), een boek dat vooral Nederlandse initiatieven op het gebied van verantwoorde mode beschrijft, en Talking Dress van Marieke Eyskoot (35).

Eyskoot werkte voor de Schone Kleren Campagne die zich inzet voor betere arbeidsomstandigheden in de confectie-industrie en is medeoprichter van de groene modevakbeurs Mint. Zij richt zich duidelijk op (heel) jonge vrouwen. Haar boek – „mét shopgids en doe-het-zelftips” – staat vol meidenbladzinnen als: „Ik kauw op dit moment fijn op een fairtrade-chocoladeletter”.

Op zich geen onverstandige keuze: de tieners en vroeg-twintigers van nu zijn waarschijnlijk de grootste consumenten van ‘foute’ mode. Zij zijn opgegroeid met de fast fashion van ketens als H&M en Zara: razendsnel geproduceerde, goedkope mode naar de nieuwste trends. Voor hen is het doodgewoon om met een paar tientjes zakken vol kleren te kunnen kopen, die na een paar maanden weer net zo makkelijk worden afgedankt.

Maar zij zijn lang niet de enigen. Zoals Eyskoot in haar boek schrijft: „We kopen steeds meer kleren, en betalen er steeds minder voor”. Ook zestigers zijn gewend geraakt aan T-shirts van een paar euro. Maar goedkope modebestaat eigenlijk helemaal niet, stelt Eyskoot. „Het is alleen zo dat iemand anders de prijs betaalt.”

Zowel Eyskoot als Dubbeld, wier boek nuchter en zakelijk van toon is, belicht het hele productieproces en de levenscyclus van kledingstukken: grondstoffen, de fabricage (doe vaak in meerdere landen plaatsheeft), distributie, marketing, media, winkels, winkelverlichting, tassen waarin de kleren mee naar huis gaan, de dozen waarin  online aankopen worden verstuurd, het dumpen en verbranden van onverkochte kledingstukken, wassen, recycling.

Niet alleen aan niet-biologische katoen, ook aan bijna alle andere ‘gewone’ stoffen kleven grote nadelen. Bij de productie van zijde worden de rupsen levend gekookt. Polyester, de meest gebruikte stof voor mode, kost veel aardolie en vergaat pas na 200 jaar. Wol is op zich prima, maar om motten en schimmels te weren worden er veel chemicaliën aan toegevoegd. Et cetera.

‘Fast fashion’ is niet alleen de kwalijkste vorm, omdat de kleren weer snel worden weggegooid en de materialen doorgaans weinig duurzaam zijn. De goedkope modeketens zijn bovendien steeds op zoek naar fabrieken die nog sneller en nog goedkoper kunnen produceren. En dat heeft onvermijdelijk gevolgen voor de arbeidsomstandigheden en de lonen van werknemers, zo werd eind  november weer pijnlijk duidelijk na een brand in een onveilige fabriek in Bangladesh, die produceerde voor C&A. 124 textielarbeiders lieten het leven.

Het wonderlijke is dat de loonkosten maar een paar procent van de totale prijs vormen. Een verdubbeling ervan maakt een jurkje van veertig euro maar een euro duurder, zo rekent Eyskoot uit.

Maar niet alleen op ‘fast fashion’ valt een hoop aan te merken. Ook de productie van de duurdere modemerken is lang niet altijd ‘schoon’. Beide auteurs komen onvermijdelijk tot dezelfde conclusie. Zoals Eyskoot schrijft: „We moeten de cirkel van kopen, kopen, kopen doorbreken”.

Volgens Eyskoot zijn we al op de goede weg. Dat de winst van H&M in 2010 daalde met 11 procent. En dat in Engeland in dat jaar door consumenten 21 procent minder bij goedkope ketens werd gekocht, ziet zij als bewijs dat er „een grote verandering aan de gang is”.

Je kunt je afvragen of dat waar is. De winst van H&M mag de laatste tijd tegenvallen, de omzetten blijven stijgen. Concurrent Inditex, het moederbedrijf van Zara, heeft zelfs helemaal geen last van financiële tegenvallers. Integendeel.

Greenpeace maakte onlangs bekend dat uit onderzoek onder een aantal populaire kledingmerken naar voren kwam, dat nergens zo veel giftige stoffen in de kleding waren aangetroffen als bij Zara. Die zouden hormoonverstorend werken en mogelijk kankerverwekkend zijn.

Maar de grote ketens zijn niet meer alleen de boemannen. Dit jaar is H&M voor het tweede achtereenvolgende jaar de grootste afnemer van biologische katoen ter wereld. Daarnaast investeert het bedrijf tot 2013 twee miljoen euro in de productie van ‘Better Cotton’: katoen die weliswaar niet biologisch is, maar wel minder water (normaal kost de teelt van een kilo katoen 8.000 liter) en pesticiden nodig heeft.

Hoewel je zulke initiatieven ook weer zou kunnen scharen onder greenwashing. Tegenover de kleding van biologische katoen en gerecyclede polyester die bij H&M in de rekken hangt, staan immers grote hoeveelheden kleding van viscose (waarvan de productie zeer slecht is voor het milieu), ‘gewone’ katoen en polyester. Bovendien is ook de kleding van verantwoorde stoffen niet per se gemaakt voor een lange levenscyclus, en zegt het gebruik van goed materiaal in principe niks over de omstandigheden waaronder kleren in elkaar worden gezet.

En dan zijn er natuurlijk nog de problemen bij de meer duurzame merken, waar beide auteurs overigens niet over reppen. Het Nederlandse jeansmerk Kuyichi was, zoals deze krant vorig jaar schreef, lange tijd niet zo groen en fair trade als het zich voordeed. Op rankabrand.nl, een site die de duurzaamheid van merken aangeeft, scoort het nu een C. Dezelfde score als G-Star, maar minder dan bijvoorbeeld het Zweedse Cheap Monday.

Enfin, zoals Lynsey Dubbeld al in haar inleiding stelt: „Dat duurzaamheid hip & happening is, maakt het er gek genoeg helemaal niet makkelijker op”.

Wie een echt duurzame modestijl nastreeft, vindt in de boeken van Dubbeld en Eyskoot genoeg tips: tweedehands kleding; feestjes waarbij vrouwen kleren met elkaar ruilen; labels die geheel verantwoord te werk gaan – zoals Studio Jux en Elsien Gringhuis, al is dat laatste nog een echt nichemerk. Wie echt wil afkicken van kopen kan zich aansluiten bij de Free Fashion Challenge, waar mensen beloven een jaar helemaal geen nieuwe kleren te kopen. Nederlanders hebben gemiddeld 70 kledingstukken in de kast – dus dat zou te doen moeten zijn.

Eyskoot propageert ook verstellen, vermaken, zelf maken. Haar ecoblijheid grenst soms aan het religieuze. Haar favoriete sinterklaascadeau, zo schrijft ze, was een klosje biologisch naaigaren. „Nu kan ik met een goed gevoel knopen aanzetten en gaten repareren.” Ze is zo onder de indruk van de wol die ze heeft uitgezocht van een schaap „dat het goed heeft gehad”, dat ze die „bijna geen geweld durft aan te doen met mijn beginners-breipraktijken”.

Maar wat moeten mensen die wel graag in de laatste mode lopen? Want hoe hard Dubbeld en Eyskesn ook roepen dat eerlijke merken allang niet meer suf en lappig zijn, de meeste halen het qua hipheid nog altijd niet bij het gemiddelde Zara’tje.

Eyskoot gelooft heilig in de macht van de consument. Ze raadt aan winkelpersoneel voortdurend te vragen naar de herkomst van kleding. „Ze zullen het antwoord misschien niet weten, maar als ze die vragen constant krijgen, zullen ze het toch aan hun baas moeten vragen – en zo gaat het balletje rollen.”

De meest geruststellende opmerking voor modeliefhebbers staat in het boek van Dubbeld. Grote modeketens willen, door hun wekelijkse nieuwe aanvoer, ons doen geloven dat we meerdere keren per seizoen nieuwe kleren nodig hebben. Dat heeft tot gevolg gehad dat ook designermerken tegenwoordig bijna allemaal tussencollecties hebben.

Maar gek genoeg heeft dat allemaal vrij weinig invloed gehad op de de duur van trends. Een gemiddelde modetrend, zo citeert Mode voor morgen een lector van de Saxion Hogeschool Enschede, duurt drie jaar. En dan nog is een kledingstuk niet per se meteen ouderwets.

Het kopen van duurdere, kwalitatief betere mode hoeft dus meteen te betekenen dat het budget meteen omhoog moet. Nou is kwaliteit, een woord dat vaak valt in de boeken van Eyskoot en Dubbeld, een lastig begrip: bij veel designermerken bepaalt het label en de marketing wel een erg groot deel van de prijs; en ook chique stoffen zijn bepaald niet immuun voor slijtage. Maar het zou natuurlijk al een hele stap vooruit zijn als aan de aankoop van kleding voortaan wat meer zorg wordt besteed.

Zeven tips voor een duurzame garderobe

1) Het grootste gedeelte van de C02-uitstoot en het energiegebruik van een kledingstuk wordt niet veroorzaakt door materiaal, productie en distributie, maar door wassen en andere ‘nazorg’. Was minder en kouder en gebruik een ecowasmiddel – en vooral geen droger (kleren slijten ook sneller van een droger). Strijk zo min mogelijk, mijd de stomerij. Hang kleren gewoon eens een nacht buiten.

2) Koop minder, en vooral: minder jeans. Spijkerbroeken zijn de populairste kledingstukken van Nederland: wij kopen er 15 miljoen per jaar en hebben er allemaal 5,34. Maar jeans zijn katoen, er is veel verf voor nodig en het ‘zandstralen’ wat ze er gedragen uit laat zien, veroorzaakt stoflongen bij de arbeiders. H&M, Levi’s en een aantal andere merken hebben inmiddels toegezegd de techniek niet meer te zullen gebruiken. In Bangladesh wordt nog de helft van de broeken gezandstraald.

3) Gooi nooit textiel in de prullenbak. Tweederde van het textiel dat in Nederland wordt weggegooid kan worden hergebruikt. De helft ervan kan zelfs direct weer worden gedragen.

4) Op talkingdress.nl is een lijst te vinden (en een gratis app) met online en offline ecomodewinkels in Nederland, en andere adressen (zoals Zalando.nl) die eerlijke mode verkopen.

5) Kijk altijd van wat voor materiaal een kledingstuk is gemaakt. Op de website van Made-by (made-by.org) is een overzicht te vinden van de meeste gebruikte materialen. In categorie E (de slechtste) staan bijvoorbeeld katoen, nylon en viscose – maar ook bamboeviscose, een materiaal dat nota bene wordt verkocht als ‘milieuvriendelijk’. Gewone polyester scoort een D.

6) Koop liefst kleren die gemaakt zijn van één soort materiaal, die zijn gemakkelijker te recyclen. Let er bij kleding van polyester op dat ook de rits van kunststof is gemaakt.

7) Trek eens in de zoveel tijd een avond uit om door je kleren heen te gaan en nieuwe combinaties te maken. De meeste mensen hebben veel meer kleren dan ze beseffen.

Mode voor morgen Auteur Linsey Dubbeld Uitgever Mooi media Prijs € 29,95

Talking dress Auteur Marieke Eyskoot Uitgever Gottmer/Altamira Prijs € 19,95

Eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad.