Middeleeuwen terug?

Een aaneenschakeling van bloedige conflicten doortrok West-Europa tussen 1500 en 1650. Engeland werd geteisterd door verschillende burgeroorlogen, die uitmondden in een tiranniek bewind van Oliver Cromwell; Frankrijk kende duizenden slachtpartijen, een exodus van vervolgde protestanten en een koningsmoord in 1610; de Nederlanden raakten verstrikt in een tachtigjarige strijd tegen Spanje; en de conflicten in Duitsland culmineerden in de Dertigjarige Oorlog, waarin naar schatting eenderde van de bevolking de dood vond.

Dit bloedvergieten bleef voortwoekeren vanwege de overlappende jurisdicties – de conflicterende rechtsmachten – die kenmerkend waren geweest voor de Middeleeuwen en die onhoudbaar werden in de moderne tijd. Koningen en edellieden leefden in voortdurende competitie over wie welke kwesties mocht beslissen. Kerkelijke en wereldlijke heersers twistten over wie zeggenschap toekwam. Leden van de bevolking twijfelden aan het gezag van seculiere heersers. Ondertussen wedijverden onafhankelijke steden, vrijgemaakte provincies en heerlijkheden met elkaar. Voor edelen golden andere rechten en plichten dan voor studenten, boeren, of leden van gilden. De politieke structuur was overlappend en gelaagd. Niemand had het laatste woord.

Van Jean Bodin in Frankrijk tot Johannes Althusius in Duitsland; van Hugo de Groot in de Nederlanden tot Thomas Hobbes in Engeland – in alle Europese landen kwamen denkers tot de conclusie dat de voortdurende oorlogen alleen konden worden beëindigd door vestiging van centrale, territoriale jurisdictie. Dit markeert de overgang van de Middeleeuwen naar de moderne tijd. Eén organisatie moest de orde kunnen handhaven over een afgebakend gebied. Van de bevolking moest gehoorzaamheid worden gevraagd. Religieuze, regionale of klassenverbanden moesten ondergeschikt zijn aan de loyaliteit jegens de staat.

Zo keerde in de loop van de 17de en 18de eeuw de rust terug in Europa. Het continent kwam tot bloei via Verlichting en democratische revoluties. Oorlogen werden rationeler en beperkter in omvang – met uitzondering van de oorlogen die voortkwamen uit de poging opnieuw imperiaal gezag op het continent te vestigen: onder Napoleon, Wilhelm II, Mussolini, Hitler.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de nationale soevereiniteit hersteld – eens te meer was immers duidelijk geworden wat de gevolgen kunnen zijn van de ambitie Europa te verenigen. Maar vreemd genoeg werd tegelijk het idee dominant dat die soevereine staat niet langer houdbaar was. Op sluipende wijze begon men aan zijn ontmanteling. Via supranationale instanties zoals het mensenrechtenhof in Straatsburg, het Internationaal Strafhof in Den Haag en de Europese Unie; en via systematische verdunning van de homogene bevolking door golven van massa-immigratie, open grenzen en multiculturalisme.

Zo wordt een terugkeer naar de Middeleeuwen geforceerd. Nieuwe overlappende jurisdicties worden gecreëerd en gekoesterd. Een standenmaatschappij ontstaat. Een quasi-erfelijke aristocratie is teruggekeerd in de vorm van de kosmopolitische elites, die onderling huwen en internationaal opereren, en die de nieuwe horigen – de ‘onderbuikers’ en de gastarbeiders – via subtiele stijlconventies buitensluiten. Ook het imperiaal gezag, dat ooit over Europa heerste, is weer onder ons, in de vorm van de keizerlijke decreten uit Brussel. Pauselijk gezag keert terug via het ‘universele’ Mensenrechtenhof en het ‘universele’ Strafhof. Universeel – de letterlijke vertaling van katholikos.

Maar de middeleeuwse orde van overlappende jurisdicties en conflicterende loyaliteiten is onverenigbaar met de democratische rechtsstaat. Voor een democratie is een soeverein parlement vereist, dat beslist over oorlog en vrede, over de begroting, over immigratie. Den Haag heeft op die gebieden vrijwel elke zeggenschap verloren. Het Europees Parlement kan onmogelijk democratisch zijn. Want er bestaat geen Europees volk. Meerderheidsbesluitvorming is daardoor niet legitiem. Er bestaat geen Europees ‘wij’ en geen Europees publiek debat. Niemand voelt zich gebonden aan de gewogen stem van Polen, Bulgaren, Esten, Duitsers, Fransen, Spanjaarden, enzovoorts, tezamen.

Evenmin kan een rechtsstaat op Europees niveau bestaan. Zonder nationaal gevoel ontstaat verwarring over hoe de wet moet worden uitgelegd. Over welke omgangsvormen gelden en welke cultuur leidend is. Bovendien moet de rechter putten uit een gedeeld idee van legitimiteit. Waarom zou zijn beslissing anders worden aanvaard? Die gedeelde legitimiteit ontbreekt op continentale schaal. Vandaar de storm van kritiek op het mensenrechtenhof wanneer dat nationale voorkeuren terzijde schuift. Vandaar ook het pleidooi voor shariarechtbanken met eigen, islamitische rechters in de buitenwijken van grote steden.

We staan voor een historische keuze. Gaan we voort op deze weg, die voert naar een nieuwe Middeleeuwen? De sociale onrust in de zuidelijke eurolanden, de spanning tussen de kosmopolitische elites en het gewone volk – ze zullen toenemen. Een nieuwe standenmaatschappij zal verder vorm krijgen en er zal een einde komen aan de democratische rechtsstaat. Zonder natiestaat verliezen we het vermogen tot zelfbestuur. En we riskeren de vrede die Europa de afgelopen zeventig jaar heeft gekend.

Thierry Baudet is jurist, historicus en schrijver.