Met wie heb ik nu weer het genoegen?

Alex Boogers: Alle dingen zijn schitterend. Podium, 382 blz. € 19,50.

Het zieke kind duikt de laatste paar jaar vaak op in de Nederlandse literatuur. Zo draaiden de laatste romans van Ronald Giphart (IJsland), Mark Boog (Het lot valt altijd op Jona) en Peter Terrin (Post Mortem) om een zieke spruit – en natuurlijk, of misschien wel voornamelijk, om de gevolgen van die ziekte voor de ouders van het kind.

Dat het waken bij zo’n ziekenhuisbed niet alléén zwaar is maar ook een zekere verheffende uitwerking kan hebben, verwoordde Giph in IJsland als volgt: ‘Ik denk niet dat ik me ooit een vollediger mens voelde dan toen ik als ouder in het ziekenhuis zat, van de wereld verlaten, vechtend voor mijn jongen.’

Het is uiteraard aan het vakmanschap en het instinct van de schrijver om zoiets als bovenstaande ‘volledigheid’ zo treffend en overtuigend mogelijk over te brengen op de lezer. Giphart combineerde de gang naar het ziekenhuis met een aftakelende vriendschap, Boog deed zo stipt mogelijk verslag, terwijl Terrin koos voor een metaliteraire vorm waarin het draaide om de vraag wat fictie is en wat niet.

Maar alleen het feit van die jonge sla die misschien wel in het hospitaalbedje ten onder zal gaan, heeft voor de lezer iets ongemakkelijks. Het grien-of-ik-schiet zit in de opzet besloten. Je moet toch wel van steen zijn wanneer het verhaal van een ziek kind je niet raakt? De auteur die de lezer door de knieën krijgt met een complexer dramatisch gegeven valt dan ook te prijzen.

Nu is het niet zo dat Alle dingen zijn schitterend, het zesde boek van Alex Boogers, alleen maar drijft op een ziek kind. Het boek is een mozaïekvertelling, gedragen op een hoog emotionele toon, waarin de levens van drie vaders langzaam met elkaar verknoopt raken.

De belangrijkste knoop die de drie strengen bij elkaar moet brengen is het zieke zoontje van de journalist Arthur. De jongen wacht op een donorhart en zal met dank aan Paul, een politieman, uit de brand worden geholpen. En dan is er Remy, een man die een tumor in zijn hersenen heeft en zich in dagboeknotities naar het eind van zijn leven schrijft.

De kringen rondom de drie mannen zijn met kinderen, exen, vrouwen en collega’s dusdanig vertakt dat het al snel een nauwgezet stamboom maken van de lezer vergt om alleen al het fundament van deze roman helder te houden. Soms is het zelfs alsof je op een kinderfeestje bent beland en je jezelf ietwat beschaamd af loopt te vragen ‘van wie dat er ook al weer eentje is’.

Wat je bij het bekijken van films met een mozaïekstructuur, zoals Babel of Amores Perros, wél lukt, is bij een boek als Alle dingen zijn schitterend een veel heikeler karwei. Boogers schrijft korte, soms zeer korte hoofdstukken, waardoor je nauwelijks grip krijgt op de karakters. En de nieuwe ontwikkelingen in hun leven gaan maar moeilijk deel uitmaken van één verhaal. Lezen wordt dan puzzelen, met als inzet de vraag: met wie heb ik in dit hoofdstuk het genoegen?

Het gissen wordt nog verder vergroot door het feit dat Boogers zijn verhaal niet chronologisch vertelt. Alle dingen zijn schitterend heeft kortom alle trekken van een roman waaraan Boogers zich heeft vertild. En dat is jammer, want hij blijft in het romanlandschap een originele stem. Zijn personages werken zich voortdurend in de nesten, maar zijn net te dom om van hun fouten te leren.