Meegesleept in het oproer

‘De rode kimono’, het beroemde schilderij dat G.H. Breitner omstreeks 1893 maakte van zijn jonge model Geesje Kwak en dat een van de topstukken is van het Stedelijk Museum, siert de voorkant van Martin Schoutens nieuwe roman Het Palingoproer. Een gelukkige keuze, want niet alleen speelt Breitner zelf een opvallende rol in de roman, Schouten is erin geslaagd het Amsterdam van eind 19de eeuw op een manier te beschrijven die de schilderijen maar vooral de fotografie van Breitner voortdurend in herinnering roept. Stijl en inhoud gaan hier uitmuntend samen.

Net als de foto’s en schilderijen van Breitner doen, weet Schouten een van de boeiendste periodes in de Amsterdamse geschiedenis op te roepen. Alles is in beweging. Voortdurend wisselt het perspectief. De stedelijke voorbijgangers zijn soms niet meer dan voorbijschietende schimmen, soms lichten zij fel op tegen de schimmige achtergrond van de bewegende stad of het decor van een duistere, bedompte alkoof.

Het Palingoproer is dus meer dan een reconstructie van de dramatische gebeurtenissen in de Jordaan waar in juli 1886 een spelletje ‘palingtrekken’ zou uitmonden in een door huzaren en infanterie aangericht bloedbad, waarbij 26 mensen lukraak werden doodgeschoten. Van het palingoproer zelf bestaan trouwens ook foto’s, niet door Breitner gemaakt. Het zijn afbeeldingen van de volksoploop aan de toen nog niet gedempte Lindengracht waarover aan een touw een levende paling was gespannen, die de deelnemers aan het spel vanaf een bootje te pakken moesten krijgen. Toen de politie een einde maakte aan het wrede volksvermaak, volgden twee dagen van rellen, die door Schouten met uiterste nauwkeurigheid, bijna als een militair historicus, worden beschreven, compleet met achterin het boek afgedrukte kaartjes van het strijdtoneel.

Het oproer had geen directe politieke aanleiding, maar de overheid was als de dood voor revolutie. Het was immers ook de tijd van het opkomende socialisme. We zien Domela Nieuwenhuis en de Amsterdamse socialistenleider Jan Fortuyn in actie, de anarchistische bomaanslagen met ‘helse machines’ zaaiden her en der paniek. Amsterdam barstte uit zijn voegen, overal werd gebouwd, in de volkswijken leefden de paupers in wanhopige omstandigheden. Intussen broeide en bruiste het op alle gebieden. In etablissementen als de Port van Cleve en de tingeltangels aan de Nes debatteerden de Tachtigers (Willem Kloos, Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Frank van der Goes), over poëzie en politiek, in het theater oogstte toneeldiva Theo Mann-Bouwmeester bewondering zowel als ontsteltenis.

Al deze personages en gebeurtenissen – van de berechting van Domela Nieuwenhuis wegens majesteitsschennis tot de tegen ‘de socialen’ gerichte Oranjefurie, van de parlementaire enquêtes over de sociale kwestie tot de brand in de Stadsschouwburg – hebben een plaats gekregen in Het Palingoproer, wat uiteraard het gevaar van overlading met zich meebrengt.

Het lijkt een onmogelijke opgave om in een roman van nog geen tweehonderd bladzijden een zo bewogen tijdperk en een tableau van zoveel beroemdheden op een aanvaardbare manier tot leven te brengen. Je zou denken dat daar een trilogie voor nodig is. Alleen al voor de vermelding van de bronnen waaruit hij het materiaal putte voor de portretten, de dialogen en de couleur locale heeft Schouten bijna vijf pagina’s nodig. Zo’n boek moet wel uit zijn voegen barsten, moet je vrezen.

Maar dat gebeurt niet. Dat is te danken aan de kale, afgemeten stijl van Schouten en aan de beperkingen die hij zich heeft opgelegd. De gebeurtenissen worden verteld in korte scènes, die stuk voor stuk kunnen dienen als uitsneden van een tijdperk. Van de vele personen, met name de historische figuren die langskomen, maakt hij vluchtige schetsen of hij beperkt zich tot flarden dialoog. De psychologisch wat meer uitgewerkte en genuanceerde portretten reserveert hij voor de fictieve personages.

In de roman is de aanstichter van het palingtrekken een zekere Bambolin, een beroepscrimineel die graag vertoeft in het (nog bestaande) café De Kat in de Wijngaert en die droomt van indianen en woudlopers in het Wilde Westen. Hij wordt op de hielen gezeten door een gewiekste en gevoelige rechercheur van de politieke politie, Schubart, wiens vrouw Alida kleedster is van Theo Bouwmeester. Als hij haar te spreken krijgt, complimenteert de politieman de actrice met haar ‘vormgevoel’: zij staat altijd precies op de goede plaats op het toneel en doet daar dan precies wat nodig is. Schouten heeft ook vormgevoel: hij schrijft afgewogen en zorgvuldig proza.

    • Elsbeth Etty