Liever bibliotheek dan toprestaurant

Op 14 april 2013 heropent het Rijksmuseum. Op elke 14de van de maand een reportage vanuit het museum in aanloop naar de opening. Aflevering 2: de bibliotheek.

Een lang leven was het niet beschoren, het plan om de bibliotheek om te bouwen tot een restaurant, mét topchef. En toch stond juist dat voornemen onder enkele medewerkers van het Rijksmuseum jarenlang symbool voor de talloze wilde, maar vruchteloze plannen in de tijd van de renovatie.

Met een gebouw als het Rijksmuseum kun je niet teveel uithalen, zo liet de recente verbouwingsgeschiedenis zien. Plannen stuiten niet zozeer op interne tegenstand, als wel op een welzijnscommissie, monumentenraad, Cuypersgenootschap, stadsdeelraad en technische beperkingen.

Tegelijk: onvoorziene tegenslagen pakken op de lange termijn niet altijd verkeerd uit, zegt Geert-Jan Koot, sinds 1988 hoofd van de bibliotheek in het Rijksmuseum. Want het verhaal van de bibliotheek kent een goede afloop. Een van de mooiste historische ruimtes van Nederland, een klassiek bibliotheekinterieur met galerijen en wenteltrappen, behoudt de oorspronkelijke functie en komt op de looproute van bezoekers; in de ‘rooting’, zoals museummensen dat noemen.

Bezoekers zullen er 730 lopende tijdschriften kunnen raadplegen, recente veilingcatalogi en duizenden boeken - goed voor meer dan 5 kilometer plankruimte. Eigenlijk wordt het niet zo veel anders dan voor de verbouwing, behalve dat de ruimte wordt gerestaureerd, inclusief de geschilderde decoraties en de auteursnamen op de cartouches. Kortom, de bibliotheek wordt zoals architect Pierre Cuypers die meer dan honderd jaar geleden had bedacht.

Lange tijd leek het daar niet op. De plannen waren verstrekkend. Nadat toenmalig directeur Ronald de Leeuw het idee van een toprestaurant had laten varen, werd het een publieksinformatiecentrum, met kleiende en tekende kinderen. De bibliotheek zou naar een nieuw te bouwen toren gaan, ontworpen door de Spaanse architecten Cruz en Ortiz. De bibliothecaris had er wel oren naar. De nieuwbouw bood mogelijkheden de collectie prenten en boeken deugdelijk te conserveren, in juiste temperatuur en vochtigheidsgraad. Bovendien bleef de functie van de oude zaal redelijk intact. „Een bibliotheek is toch eigenlijk ook een informatiecentrum?”

Het plan ging niet door: de nieuwe toren was te gezichtsbepalend. Het ding moest lager. Binnen het museum werd gesproken over de ‘incredible shrinking tower’; de toren ging van negen naar zeven verdiepingen, om uit te komen op 2,5 verdieping. Met schuin dak. Koot: „Er bleef niets van over”.

Dat betekende dat te weinig ruimte overbleef voor de bibliotheek. Prenten, tekeningen en foto’s konden blijven, maar de boeken gingen naar een ruimte in Amsterdam Zuid-Oost. Koot: „Een duidelijke achteruitgang. Een bibliotheek is het laboratorium van geleerden. Die hanteren een soort sneeuwbalmethode: het ene boek vraagt om het andere. Als je dan telkens moet wachten, omdat boeken van ver komen, is dat vervelend.”

De plannen werden allengs minder aantrekkelijk voor Koot. Maar hij bleef hoop houden dat de bibliotheek ooit op de plattegrond van het museum zou komen. De dag dat de bibliotheek daarvan werd afgevoerd, omdat ze een aparte ingang heeft, herinnert Koot zich „als een klap in het gezicht.”

Toen Wim Pijbes aantrad als directeur, bestonden er verschillende opties. Pijbes: „Prettig aan mijn voorganger was dat hij sommige dingen had opengelaten”. De directeur herinnert zich dat bij zijn aantreden zelfs het idee nog leefde om de ruimte te gebruiken als horecagelegenheid, hoewel geen sterrenrestaurant. Van de meest serieuze optie, een informatiecentrum, werd hij niet warm: „Heb je ooit iemand horen zeggen tijdens museumbezoek: nou, jongens, ik duik even het informatiecentrum in? Kom nou.” Bovendien, zegt Pijbes, hebben mensen de informatie al in hun zak, in hun smart-phones.

Bovendien speelde de historische waarde van de zaal een rol voor Pijbes. Hij noemt de bekende foto die uitgeverij Bezige Bij er liet maken, met al hun auteurs. „De ruimte leent zich ook uitstekend voor televisieprogramma’s en Kamermuziekconcerten. En ik wil ook iets met die namen doen die Cuypers er liet schilderen. Waarom juist die?” Cuypers heeft namen van Nederlandse drukkers, uitgevers, kunsthistorici en auteurs laten aanbrengen.

Maar de belangrijkste beslissing, zegt Koot, is dat de bezoekers daar zomaar langs kunnen lopen. De bieb staat op de kaart, de plattegrond.

En wie houdt al die nieuwe bezoekers stil? Koot verwijst naar het gedicht van Verdam, op de wand, door de restauratie weer helder leesbaar. Enkele strofen: „Gij hebt twee oogen, maar één mond / Dit zij voor U een teeken / Hier veel te lesen en niet veel te spreken”.

    • Pieter van Os