Levenslang voor de pispaal

Bij pesten spelen meerdere mensen een rol en allemaal zijn ze belangrijk. De pester heeft een hoofdrol, maar in zijn eentje komt hij nergens.

Elsje Jorritsma

Redacteur Jeugd en Gezin

Teens Picking on Another --- Image by © Corbis © Corbis

Over pesten wordt vaak gepraat alsof het een soort verkoudheid is: het hoort erbij, het is vervelend maar niet ernstig, het is goed voor je weerstand. Maar wie het van dichtbij heeft meegemaakt, weet dat pesten een kwelling is, een nachtmerrie overdag die verstrekkende gevolgen kan hebben.

Het is niet zo dat scholen en ouders geen aandacht besteden aan pesten; sinds 2006 hebben scholen protocollen tegen pesten. Maar in de praktijk beschouwt een flink deel van de docenten het toch als een natuurverschijnsel waarin zij geen belangrijke rol spelen. Het directe pesten, fysiek en verbaal, wordt meestal wel herkend. Maar vaak missen ouders en leerkrachten het indirecte pesten van roddelen en buitensluiten, ook wel sociaal pesten genoemd, terwijl dat niet minder schadelijk is – integendeel. „Bovendien zijn veel leraren niet goed opgeleid om effectief in te grijpen bij pesten”, zegt René Veenstra, hoogleraar sociologie in Groningen. Hij doet veel onderzoek naar groepsprocessen bij pesten en schreef mee aan het boek Pesten op school.

Het is ook niet eenvoudig om pesten te onderscheiden van gewone ruzies of het onschuldiger plagen. Pesten heeft echter drie duidelijke kenmerken: het gedrag is bedoeld om iemand te kwetsen, herhaaldelijk en over een lange periode en er is een duidelijk machtsverschil tussen de dader en het slachtoffer.

Hoe vaak wordt er gepest? De uitkomst varieert per onderzoeksmethode, maar de schatting is dat ongeveer 15-20 procent van de kinderen en jongeren wordt gepest, terwijl ongeveer datzelfde percentage zegt te pesten.

Wie pesten wil begrijpen heeft de neiging om naar eigenschappen van daders en slachtoffers te kijken. De sleutel tot pesten zou in hun tekorten liggen: te weinig empathie bij de pestkop en te weinig zelfvertrouwen bij het doelwit. Ook het wetenschappelijk onderzoek naar pesten verliep langs deze lijnen. Maar daar kwam een kentering in toen de Finse Christina Salmivalli eind jaren negentig vaststelde dat pesten niet te begrijpen is door alleen naar kenmerken van de pester of de gepeste te kijken. „Pesters hebben hulptroepen, assistenten, publiek”, zegt Veenstra.

Pesten is een groepsproces. Een drama met belangrijke bijrollen voor de assistent, de aanmoediger, de verdediger en de buitenstaander. Zij bepalen of, hoeveel en met welke gevolgen er wordt gepest. Alle rollen hebben in de afgelopen vijftien jaar onderzoek steeds scherpere contouren gekregen: de dramatis personae.

De hoofdrolspelers bij het pesten:

De dader

Agressief en zonder empathie. Probleemgeval. Jongen. Dat is het standaardbeeld van de pester. Maar de meeste pesters zijn gewone, gezonde kinderen die vooruit willen in de wereld, zegt Veenstra. En dat betekent: een hoge sociale status én geliefd zijn. Pesten is een manier om status te bereiken zonder affectie te verliezen. En wel door kinderen te pesten uit de groep die er ‘niet toe doet’. Kinderen maken onderscheid tussen kinderen die er wel, en die er niet toe doen. „Dat gaat razendsnel. In een nieuwe klas is dat eigenlijk binnen een dag bekeken”, zegt Veenstra. Pesten levert waardering van de ‘ingroep’ op, en dat de ‘uitgroep’ de pester niet aardig vindt, is niet relevant. Wel vindt de dader status belangrijker dan affectie. Hij is dan ook vaak populair, maar niet geliefd.

De dader heeft een bovengemiddeld begrip van wat mensen denken of voelen. Zo weet hij wat de zwakke plekken van kinderen zijn. Ook kent hij het verschil tussen goed en kwaad. Dus voelt hij zich onprettig als hij iets slechts doet, net als alle mensen met een geweten. Daar heeft hij een oplossing voor: ‘morele ontkoppeling’. Hij overtuigt zichzelf ervan dat het pestgedrag gerechtvaardigd was. Door bijvoorbeeld de verantwoordelijkheid bij de ander te leggen (‘hij begon’), te bagatelliseren (‘ze mag nooit op een feestje komen, nou én?’) of een hoger doel aan te voeren, zoals zelfverdediging (‘hij zei stomme snotolifant’). Hij is trots op de aandacht die pesten oplevert, en voelt minder dan andere kinderen schaamte of schuld.

De dader interpreteert gedrag van anderen vaak als vijandig. Als iemand tegen hem opbotst, gaat hij eerder uit van opzet. En zijn reactie is vaak agressief (terugduwen) in plaats van assertief (vragen om uitleg).

De meeloper

De dader neemt het initiatief om iemand te pesten, de meeloper doet enthousiast mee. Maar dader en meeloper wisselen vaak van rol: de één begint, de ander doet mee.

Daders en meelopers zitten meestal samen in de populaire groep. En binnen die subgroep zijn daders en meelopers elkaars verdedigers, mocht één van hen onverhoopt zelf een keer gepest worden.

Het zijn de populaire leerlingen die bepalen of er in een klas veel wordt gepest. Veenstra: „Soms zijn de natuurlijke leiders in een groep toevallig zogeheten pro-sociale, hulpvaardige kinderen, die durven op te komen voor kinderen die anders zijn, voor de zwakkeren”.

In die groepen zal weinig worden gepest, omdat het weinig statuswinst oplevert.

De aanmoediger

De aanmoediger heeft een bescheiden, maar cruciale rol: door geamuseerd toe te kijken als de dader weer eens iemand hardhandig de garderobe induwt. Voor de pester is het statusverhogend om de lachers op zijn hand te hebben.

De buitenstaander

Niets doen is bij pesten óók een daad. Wie zwijgt stemt toe. Naarmate het stilzwijgen langer duurt, wordt het steeds normaler om het gepeste kind slecht te behandelen. De houding van de buitenstaander, tussen de 25 en 45 procent van elke groep, is voor hemzelf niet zonder gevaar. Een kind dat vaak getuige is van pesten wordt angstig, ook als het niet zelf het slachtoffer is.

De verdediger

Net als de dader weet de verdediger goed wat mensen beweegt. Ook heeft hij relatief veel zelfvertrouwen en hij voelt zich persoonlijk verantwoordelijk. De verdediger vindt affectie vaak belangrijker dan status. Zijn gedrag is gericht op het goed houden van relaties, en als er iets gebeurt reageert de verdediger vaker assertief – ‘dat vind ik niet leuk, stop ermee’ – dan agressief. In een groep is volgens onderzoek ongeveer 15 procent een verdediger. De verdediger kan niet altijd de moed opbrengen om pesten actief tegen te gaan. Hij kan zo het volgende slachtoffer zijn.

Het slachtoffer

Het slachtoffer is vaak een beetje anders dan de rest; heeft een handicap, stottert, of leert moeilijk. Of het is een schuw, angstig kind, dat passief reageert. Of juist een driftig kind, dat uitgroeit tot dader/slachtoffer, een kind dat pest én gepest wordt. Slachtoffers zijn meestal niet populair, en ook niet geliefd. Verdedigers zijn belangrijk voor het zelfvertrouwen van slachtoffers. Zelfs als de verdediger niet actief ingrijpt, maar alleen achteraf troost biedt.

Voor slachtoffers die hun slachtofferrol weten te overstijgen, zijn de gevolgen van pesten minder zwaar. Kinderen die op de basisschool werden gepest maar later niet meer, bleken daar later niet veel last meer van te hebben. Als het pesten wel voortduurt, zijn de gevolgen soms ellendig. Slachtoffers krijgen er buik- en hoofdpijn van. Ze spijbelen of presteren slecht. „Het is belangrijk dat leraren deze gevolgen bespreken met de groep”, zegt Veenstra. Hij introduceerde het KiVa-antipestprogramma in Nederland, gebaseerd op het onderzoek van de Finse Salmivalli. „Het hele systeem moet worden aangepakt, alle betrokkenen.” Het is niet genoeg als je alleen het gepeste kind weerbaar maakt. Bovendien lijkt het dan of het aan het gepeste kind ligt. „Bij pesten is de groep het probleem en voor de oplossing heb je ook de groep nodig.”

Lees meer over het tegengaan van pesten op www.kivaschool.nl