Klankwereld vol verbeeldingskracht

Otto Ketting was als componist veelzijdig en betrokken. Over zijn muzikale taal praatte hij niet graag. Muziek mocht mooi zijn, mits met mate.

Otto Ketting in 2005 Foto Johannes van Assem

De levensmetafoor van de reis speelt een hoofdrol in het werk van Otto Ketting. Vooruitkijken, ervaren, stromen. Zijn vier werken De Overtocht (1992), Het Oponthoud (1993), De Aankomst (1993) en Kom, over de zeeën (1994) gingen erover. En de opera Ithaka (1986), gespeeld bij de opening van Het Muziektheater in Amsterdam.

Ketting (Amsterdam, 1935) overleed gisteren in zijn woonplaats Den Haag na een kort ziekbed. Zijn reis was onvoltooid; hij werkte nog aan, onder meer, een werk voor het Concertgebouworkest. En in februari ging zijn omvangrijke en eclectische Zesde symfonie in première, ontvangen met een „kolossaal applaus”. Ketting slaagde er vaak in om met doorwrocht materiaal een klankwereld te scheppen die direct tot de verbeelding spreekt. Ook zijn liedcyclus The Light of The Sun (1979) is er een voorbeeld van.

„Een goede balans tussen nuchterheid en expressie – dat zit in alle stukken waar ik tevreden over ben”, zei hij in 2000 in een gesprek met deze krant. Een van die stukken was de griezelig rijpe Eerste symfonie (1959) waarmee hij als 22-jarige, nog slechts door zijn vader Piet Ketting bijgestuurde, componist in één klap werd omarmd als grootste talent van zijn generatie. Hoor je de orkestrale expressiviteit van die Eerste nu terug, dan snap je dat componist Karl Amadeus Hartmann de jonge Ketting „niets meer te leren had”. In plaats daarvan hebben ze toen maar een jaar over muziek gepraat – „met veel koffie en cognac”.

Otto Ketting, ook actief als dirigent, publicist en in zijn jonge jaren als trompettist, was een van de frequentst uitgevoerde levende Nederlandse componisten. Zijn bekroonde Time Machine (1972) werd in binnen- en buitenland meer dan 180 keer gespeeld, al vermoedde Ketting zelf dat die populariteit wortelde in de speelduur van maar elf minuten.

Een beetje gemopper was hem niet vreemd, maar dat kwam meestal voort uit zijn liefde voor muziek. Als componist, vond hij, moet je je roeren, je actief beijveren voor een gunstiger muzikaal klimaat. „Een componist die alleen thuis zit te componeren is een onding.” Orkesten werden door hem vaak fel bekritiseerd om hun gebrek aan aandacht voor Nederlandse muziek. Ook over cultuurpolitiek had hij weinig goeds te zeggen.

Kettings muzikale taal laat zich niet gemakkelijk typeren, juist omdat zijn oeuvre zo veelzijdig is.

Voor componisten van zijn generatie was het serialisme een noodzaak en Ketting bewonderde als jong componist Schönberg, Berg en Webern zeer. Maar een strenge reeksentaal bood hem al snel geen mogelijkheden meer. Een duimdik boekje dat als handgeschreven oeuvrelijst dienst doet, vermeldt tientallen werken in Kettings jaren van creatieve impasse. Zoekend naar een eigen geluid, componeerde hij film-, theater- en balletmuziek, zoals de sfeervolle score van Bert Haanstra’s documentaire Alleman (1963).

Ketting maakte zelf geen onderscheid tussen zijn vele ballet- of filmmuziek en zijn ‘vrije’ werk; muziek is muziek, vond hij. Maar ook de muziek van Bert Haanstra’s Dokter Pulder zaait papavers (1975) openbaart wel degelijk een ander universum dan, bijvoorbeeld, de recente Zesde symfonie.

Een constante in Kettings werk is zijn instinct voor spanningsopbouw, voor beweging. Zijn ambachtelijkheid ging ook altijd samen met een muzikantesk oor voor schoonheid. „Je moet uitvogelen waar je materiaal je in staat stelt een moment van schoonheid in te voegen”, zei hij. Anders wordt het een Miss-verkiezing. Saai.” De andere kant op gold dat evenzeer. Hoezeer Ketting zijn muziek ook doorrekende, hij bleef het effect ervan ook als luisteraar beschouwen. Werkt dit? Moet dit anders? Het uitdrukken van „een bepaalde emotie” was wel degelijk een streven, gaf hij toe. Uiteindelijk was hij daarin een romanticus.

    • Mischa Spel