‘Ik hield van tragische helden’

Historicus Fik Meijer verklaart deze week zijn literaire liefde aan Jan de Hartogs roman Thalassa.

Foto Jørgen Krielen

‘Thalassa, de diepzeeduikroman van Jan de Hartog uit 1951, heeft mij als jonge man enorm beïnvloed. Ik las het begin jaren zestig. Ik was negentien, twintig, studeerde klassieke talen in Leiden, maar had die studie zojuist onderbroken voor een half jaar Ibiza. Om duikles te geven en op zoek te gaan naar mijzelf. Wat mijn drie broers – studenten medicijnen – gingen worden, was helder. Die zekerheid had ik niet. ‘Is dit alles?’ vroeg ik mij als beginnend student steeds af. Na terugkomst raadde een vriend mij De Hartogs roman aan. Met bewondering las ik over twee mensen die na de oorlog alles aangrepen om het hoofd boven water te houden. Net als ik waren zij op zoek naar een manier om hun leven vorm te geven.

Thalassa gaat over de wanhoop van een sleepbootkapitein en een stuurman die tijdens de Tweede Wereldoorlog samen op een schip dienen. Na de oorlog zijn ze stuurloos. Per toeval ontmoeten ze elkaar bij een veiling in een café in Antwerpen, waar hun oude dienstschip wordt aangeboden. De stuurman werkt inmiddels als diepzeeduiker in Zuid-Frankrijk. Hij speurt de bodem van de Middellandse Zee af naar amfora’s en andere schatten. De Hartog ontleende de titel van zijn roman aan het gesprek in dat café. Als de kapitein aan de stuurman vraagt waar hij na de veiling heen gaat antwoordt deze: ‘Ik ga naar thalassa’. Dat roepen de Griekse huurlingen in Xenophons Anabasis als ze de kust bereiken: ‘thalassa, thalassa’. De zee! De kapitein denkt aan een mooie vrouw en volgt hem. Zo spoelen beiden als wrakhout aan op de Zuid-Franse kust.

„In mijn jeugd waren avontuurlijke romans van De Hartog, A. den Doolaard en Bertus Aafjes mateloos populair. Aanwijzingen daarvoor vind je nog in mijn kapot gelezen pocket van Thalassa uit 1964. Een vijfde druk. Begin jaren zestig moeten er minstens tienduizend van zijn verkocht. Wat mij, als vele anderen, zo aansprak in die romans waren tragische helden als die stuurman. In Thalassa is hij de Griekse held Ajax, die zich in Homerus’ Ilias na het verloren gevecht om het wapentuig van Achilles in zijn eigen zwaard stort. Die stuurman raakt verlamd als hij, daartoe gedwongen door Griekse maffioso, bij een te diepe duik op zoek naar een geheim kistje caissonziekte oploopt. Later maakt hij, verlamd en wel, een te diepe duik om nooit meer boven te komen.

„Dit soort tragische helden zijn na de revolutie van 1968 uit de Nederlandse literatuur verdwenen. Het heldendom in het werk van De Hartog en Den Doolaard maakte plaats voor verinnerlijking en maatschappijkritiek in het werk van schrijvers als Reve, Mulisch, Wolkers en Hermans. In plaats van dat De Hartog en Den Doolaard – niet zulke fraaie literatoren als bijvoorbeeld Reve natuurlijk – naast deze nieuwe lichting auteurs kwamen te staan, werden ze door hen overschaduwd. Ondanks een laveloze populariteit belandde ook De Hartog na 1970 in het ‘vergeethoekje’.

„Er is al vaak gezegd dat in 1968 de wereld van bekrompenheid, die naoorlogse wereld van verzuiling en zekerheden, eindelijk ten einde kwam. Dat bestrijd ik niet. Ik kom zelf uit een keurig katholiek gezin. Maar zelfs binnen die kaders lukte het om aan de bekrompenheid te ontkomen. Ik deed dat door vanaf mijn achttiende te duiken in de Middellandse Zee. Thalassa gaf mij de bevestiging dat loskomen op een individuele manier kan plaatsvinden door alles achter je te laten, door te reizen. Nu zeg ik: Thalassa bevestigt dat er geen Maagdenhuisbezetting voor nodig is om van je tijd los te komen.’

Jan de Hartog: Thalassa. Alleen nog tweedehands verkrijgbaar.

    • Roderick Nieuwenhuis