Hoe god geld werd

De socioloog Max Weber verbond geld verdienen met een sobere calvinistische levenshouding. Naar dit type kapitalisme bestaat nu veel heimwee.

Hoe mooi het nieuwe redactiegebouw er in hartje Amsterdam ook bij ligt, de krant die u nu aan het lezen bent verkeert in zwaar weer. Ik vertel daar niets nieuws mee. De plundering van de bedrijfskas van PCM door het investeringsfonds Apax liet van de financiële reserves weinig over. Het ziet er niet naar uit dat de dividendeisen van de huidige eigenaars het tij zullen keren. ‘Het heeft geen enkele zin over deze gang van zaken moralistisch te doen. Zo werkt ons systeem, het kapitalisme,’ constateerde Hans Maarten van den Brink vorige week zaterdag nog in de Opiniebijlage.

De jurist, econoom en socioloog Max Weber (1864-1920) zou het daar een eeuw geleden niet zomaar mee eens geweest zijn. Kapitalisme wordt niet specifiek gekenmerkt door het streven naar winst, zo stelde hij vast. Handel en nijverheid worden al duizenden jaren lang bedreven, maar kapitalisme onderscheidt zich daarvan doordat het de gemaakte winst vervolgens niet laat wegvloeien naar elders. Het gebruikt die om via herinvestering het bedrijf nóg rendabeler te maken.

In zijn geruchtmakende boek De protestantse ethiek en de geest van het kapitalisme, na ruim honderd jaar voor het eerst integraal vertaald, ging Weber op zoek naar de oorzaken van die kapitalistische revolutie. Het boek leest als een roman vol indringende observaties en citaten. Schreven vandaag de dag alle sociologen maar zo, verzucht je onwillekeurig.

Waarom waren mensen er ooit mee opgehouden hun winsten aan te wenden voor eigen plezier en te bestemmen voor het uitgestelde genot van een nóg grotere winst, zo vraagt Weber zich af. Maar eigenlijk was zelfs dat nog verkeerd geformuleerd. Want in het kapitalisme ging het niet om een uitgesteld genot. De mentaliteit ervan was nauw verbonden met een uiterst sobere levenshouding. De beloning die de vroege kapitalisten van hun inspanningen verwachtten lag niet op de aarde, maar wenkte hen vanuit een ver hiernamaals.

Daarmee doorbrak Weber twee breed aanvaarde veronderstellingen in de sociologie en economie van zijn tijd. Ten eerste beklemtoonde hij dat ideeën en overtuigingen er in de geschiedenis wel degelijk toe doen. De economie is niet een blind proces dat als een machine doordendert, zoals het marxisme meende. En ten tweede was de moderne, kapitalistische economie niet tot stand gekomen in verzet tegen haar religieuze verleden, zoals de aanhangers van de secularisatie-idee dachten. Ze was juist vanuit de godsdienst ontstaan.

De protestantse ethiek vormde in kort bestek een levendige illustratie van die dubbele stelling. Daarmee had Weber nog geen antwoord gegeven op de vraag waardoor die omslag nu precies veroorzaakt was. En waarom waren er onder kapitaalbezitters en ondernemers uit die vroegmoderne tijd overal in Europa en Amerika zoveel protestanten te vinden?

Zijn antwoord is beroemd geworden: in de strengste vormen van protestantisme (calvinisme, piëtisme, methodisme) is de gedachte van Gods voorzienigheid uitgelopen op de idee van uitverkiezing. Aan de vrijheid van Gods genade, waarmee hij de een voorbestemde voor eeuwige gelukzaligheid en de ander niet, kon niemand iets veranderen. Maar wél aan de tekenen van die uitverkiezing. Wie het in dit leven goed ging, mocht ervan uit gaan dat God hem ook nu al welgezind was.

Levenswandel

Protserig mocht die welvaart in het protestantisme nooit worden. Ook de dagelijkse levenswandel moest getuigen van een ijverige overgave aan God. Daarmee werd het professionele leven, aldus Weber, een religieuze getuigenis. De godsdienst doordrong het dagelijks leven tot in alle uithoeken en het beroep werd tegelijkertijd een ‘roeping’. Pas dankzij de combinatie van predestinatie, ascese en een nauwgezet beroepsethos kon het protestantisme de ideale voedingsbodem van het moderne kapitalisme worden.

Op die stelling is veel kritiek gekomen, al was het maar omdat het protestantisme lang niet altijd zo streng is als de stromingen die Weber als voorbeeld neemt. Zelf legt hij er bovendien de nadruk op dat zijn boek alleen het ontstaan van het kapitalisme wil verhelderen. In zijn eigen tijd zag het er al heel anders uit. En gezien de woorden van Hans Maarten van den Brink lijkt het huidige kapitalisme nauwelijks herkenbaar in het ideaaltype dat Weber ervan schetst.

Ondanks alle kritiek is Webers theorie over het oerkapitalisme in de twintigste eeuw een soort sociologische gemeenplaats geworden. Dat de waarden van ‘het’ protestantisme daarop een doorslaggevende invloed hebben uitgeoefend, wordt door weinigen nog betwist. Maar wat is er ná die eerste fase van het kapitalisme gebeurd? Waarom ziet het er vandaag de dag zo heel anders uit en heeft pure hebzucht er de kern van kunnen geworden?

Niet dat de investeringsfondsen van vandaag dat geld zomaar over de balk gooien. Het wordt op zijn beurt gebruikt om de fondsen die ze beheren te vergroten. Hun doel lijkt dus niet zo heel veel anders te zijn dan wat ooit de calvinistische of puriteinse ondernemer voor ogen stond.

Maar er is een groot verschil. Dit kapitalisme is uitsluitend nog geldhandel. Het product dat gemaakt wordt door de bedrijven die zij (meestal tijdelijk) onder hun hoede hebben kan hen weinig schelen. Het is niet meer dan een omweg waarlangs van geld nóg meer geld gemaakt wordt. In zijn meest geavanceerde vorm is het kapitalisme zo abstract geworden dat het nauwelijks nog te onderscheiden is van windhandel.

Weber heeft dat abstractieproces zelf zien beginnen. Uitvoerig heeft hij geschreven over de bureaucratisering die in zijn tijd niet alleen in de staat maar ook in het grote bedrijfsleven vorm kreeg. Dat maakte die staat en bedrijven ongetwijfeld bestuurbaarder. Maar ze schiepen ook een afstand tussen het werk dat gedaan werd en het uiteindelijk doel waarvoor al die functionarissen en kantoorklerken dag in dag uit bezig waren. Wat verdween was, met andere woorden, het beroep dat Weber voor de begintijd van het kapitalisme zo belangrijk vond. De inhoud van het werk, waarin de puritein of calvinist zijn God eerde door dat werk zo goed mogelijk te doen, loste op in een bureaucratische machinerie die nauwelijks nog een eigen morele waarde leek te bezitten. Abstract als het was, werd het werk ook amoreel. Arbeid werd een neutrale plicht, ter wille van het levensonderhoud. Maar het werd steeds moeilijker om daarin te laten zien hoe voortreffelijk het er met de eigen ziel voor stond. De flexwerker van vandaag is de uiterste consequentie van deze scheiding tussen wat iemand ís, en wat iemand dóet.

Rijkdom

Gek genoeg verdween met de ontwikkeling het idee van ‘uitverkiezing’ niet. Het kreeg in de dealingrooms en conferentiekamers van het kapitalisme alleen een andere betekenis. Rijkdom is niet langer het teken van een bijzondere genade die de gelukkige voorbestemt voor een eeuwig leven. Rijkdom is zélf de waarde geworden waar het om draait, en het idee van uitverkiezing speelt daarbij nog altijd een belangrijke rol.

En de hoogste waarde waarnaar al deze brokers en tycoons zich richten is even onverbiddelijk als ooit de God van het calvinisme. Het geld heeft zijn eigen onwrikbare wetten waaraan niet alleen de handelaren maar de hele samenleving te gehoorzamen heeft. ‘Zo werkt nu eenmaal het systeem’, in de woorden van Hans Maarten van den Brink, en je kunt dat niet eens immoreel noemen. Het heeft met moralisme simpelweg niets van doen.

Onwillekeurig vraag je je af hoe Weber vandaag de dag naar het kapitalisme gekeken zou hebben. En wat hij gevonden zou hebben van het verzet tegen een systeem dat lijkt te draaien als een tierelier, maar van buitenaf gezien almaar catastrofaler wordt.

Misschien vinden we iets van Weber terug bij de socioloog Richard Senett, die sinds een paar jaar hartstochtelijk pleit voor een eerherstel van het vakmanschap. Niks geen flexwerker, niks geen geldhandel. De toekomst van de samenleving ligt in handen van wie opnieuw goed werk weet te verrichten, en daar zijn ziel en zaligheid in legt. Ze ligt in de terugkeer van het beroep, zou Weber misschien gezegd hebben. En daar hoort (religieus of seculier) een besef van roeping bij.

    • Ger Groot