Het is fijn dat het leven ooit ophoudt

De zevende roman van Arthur Japin is net af. Zijn boeken hoeven niet gelezen te blijven. „Het rolletje dat wij spelen is zo belachelijk klein en onnozel.”

Bob van der Vlist, NRC Handelsblad, NRC Next, Athur Japin, Zin, Mens&

Eigenlijk wilde Arthur Japin (56) geen schrijver worden, maar theatermaker. Hij zat op een Londense toneelschool, de Amsterdamse kleinkunstacademie, speelde bij Toneelgroep Centrum en in de tv-serie Onderweg naar Morgen. Maar zijn werkelijke succes kwam als schrijver, vijftien jaar geleden debuteerde hij met zijn eerste roman. Nu heeft hij een trouw en almaar groeiend lezerspubliek.

Zijn nieuwste boek Maar buiten is het feest is een typisch Japin-verhaal, wrang en aangrijpend. Een beroemde zangeres, Zonne, begint een rechtszaak om de voogdij te krijgen over de dochter van haar overleden zus. Daarbij gaat ze de strijd aan met haar stiefvader, die haar en haar zus hun hele jeugd heeft verkracht en geterroriseerd. „Bij ieder boek merk ik, gaandeweg, dat het uiteindelijk ook over mezelf gaat”, zegt hij. „Het zijn hoofdfiguren van wie je denkt: mens, hoe heb je het overleefd?”

„Ik heb altijd gezocht naar manieren om te laten weten wat er in mij omgaat. Wat ik van belang vind, wat ik voel. Op school, thuis, waar dan ook, kon ik niet laten zien wie ik was. Ik dacht dat ik het op toneel zou kunnen, maar dat bleek niet waar. Uiteindelijk heb ik het gevonden in het schrijven. Via mijn boeken kan ik nu met honderdduizenden mensen communiceren. Ik schrijf nooit direct over mijzelf, dus mijn diepe, persoonlijke punten liggen niet aan de oppervlakte. Maar als je mijn boeken naast elkaar legt en nauwkeurig leest, heb je mijn autobiografie. Het is niet zo ingewikkeld te zien.”

„Alle schrijvers zijn ongelukkig, mismaakt, depressief, alcoholist. Tenminste, die schrijvers die vroeger bij ons over de vloer kwamen. Mijn vader was ook schrijver, daar was hij hartstikke ongelukkig van geworden en pleegde zelfmoord. Daarom wilde ik niet schrijven. Iedereen zei altijd: jij moet schrijver worden. Ik dacht: geen haar op mijn hoofd. Tot de avond dat ik het verhaal hoorde dat De zwarte met het witte hart is geworden, mijn eerste roman. Toen wist ik: daar moet ik iets mee.

„Op het moment dat ik voor het eerst op mijn vaders schrijfstoel ging zitten, ervoer ik dat als vervreemdend. Die stoel is bijzonder, een ontwerp van Gispen voor Haile Selassie, de ‘leeuw van Juda’, keizer van Ethiopië. Onderop zit een speciale veer die je tot op de ons op je gewicht kunt afstellen – dat is nogal confronterend, trouwens. Er hebben veel schrijvers in mijn familie gezeten, blijkbaar was het onontkoombaar dat ik er ook een werd. Maar diep van binnen verzet ik me er nog altijd tegen. Ik wil bij geen enkel schrijversclubje horen.”

„Naar mijn eigen leven ben ik totaal niet nieuwsgierig. Zou ik nooit een boek over willen schrijven. Ik weet hoe ik het heb gered, daar heb ik geen vragen meer bij. Het is juist zo mooi om te ontdekken hoe ánderen het hebben gedaan. Bij ieder boek merk ik, gaandeweg, dat het wel degelijk met mezelf te maken heeft. Figuren geven woorden aan gevoelens die je al had. Ik kom, al schrijvende, tot uitspraken over dingen waarvan ik zelf denk: o ja, zo zit het. Maar dat zijn niet mijn gedachten, die zijn vanuit hún logica gedacht. Als ik niet in die figuur zou zitten, zou ik nooit tot die conclusies komen.”

„De liefde bepaalt uiteindelijk wie en wat het best bij je past. De vraag of ik homoseksueel ben, heeft nooit voor me geleefd. Ik ben het schijnbaar, maar zo zou ik mezelf nu nooit noemen. Waarom zou een mens zich op welk vlak dan ook inperken, ergens op vastleggen? Ik deel mezelf nooit ergens bij in. Ik heb nooit in wat voor groep dan ook gepast, dus ik hoefde daar ook helemaal niet over na te denken. De eerste persoon op wie ik verliefd werd, was een vrouw. Maar uiteindelijk ontmoette ik mijn grote liefde, Lex, met wie ik nu 33 jaar samen ben, de laatste 12 jaar met Ben daarbij. Wat ik in heteroseksuele relaties altijd gevoeld heb – en heteromannen met wie ik daarover heb gepraat bevestigen dit – is een soort ongelijkheid. Als man word je in een bepaalde rol gedrukt. Ik kán die wel vervullen, maar vind gelijkwaardigheid zoveel prettiger. Bij mannen onderling is die er. Althans, bij ons.”

„Liefde en seks hoeven niets met elkaar te maken te hebben. Het is heerlijk als het samengaat zoals bij ons, maar het zijn twee gescheiden dingen. Mannen snappen dat beter dan vrouwen. Ik heb dat altijd geweten en wat dit betreft ben ik in een geweldige tijd opgegroeid, de jaren zestig en zeventig. Met het zoeken naar een seksuele partner was ik vrij laat, maar seksualiteit ontdekte ik vroeg. Ik vond het heerlijk, een troostrijke gedachte dat je eigen lichaam zo’n pretpark is. Ik wist meteen dat je je daar als mens aan over hoort te geven. Alle barrières vallen weg. Seks is voor mij nooit een belast of ingewikkeld gebied geweest. Het is een taal die ik goed versta.”

„Het leven is een zoektocht naar schaamteloosheid. Er werd mij geleerd me voor alles te schamen. Voor hoe ik praatte, hoe ik eruitzag, hoe ik was. Maar op de meest uitzichtloze momenten dacht ik toch altijd: ze hebben het allemaal mis, heel verdrietig dat ze het niet in me zien en misschien zal het wel nooit zichtbaar worden, maar ze hebben het wél mis. Ik wil terrein terugwinnen op de gêne. Zodat ik kan worden wie ik ben. Uiteindelijk hoop ik helemaal los te staan, dat ik me nergens meer iets van aantrek. Ik kijk hoever ik gaan kan. Als ik een televisiequiz ga presenteren ben ik als de dood voor wat men daarvan gaat vinden. Maar iets laten uit angst om wat mensen ervan zullen zeggen, dat zou pas echt onverdraaglijk zijn.”

„Het idee dat je een boek zou kunnen schrijven, is krankzinnig. Ook al heb ik er al zeven geschreven – het idee dat er nog een achtste uit zou kunnen komen! Daarvoor moet je oogkleppen opzetten. Daarom snap ik nu ook dat de schrijvers die vroeger bij ons thuis kwamen depressief en dronken waren. Je moet iets hebben om je eroverheen te zetten. Voor de een is het drank, voor mij is het: dag in dag uit gaan zitten en woorden produceren.

„Voor ieder woordje dat ik opschrijf, zou ik er tien andere kunnen opschrijven. Elke zin zou honderd andere zinnen kunnen zijn. Aan het eind van de dag heb ik één pagina, uit de duizenden mogelijke pagina’s die ik had kunnen maken. Het is, elke dag weer, de ultieme overwinning op mijn gêne.”

„Het is fijn dat dingen stoppen. Niet dat ik erop zit te wachten, maar ik vind het ook fijn dat mijn leven ophoudt. Een rustig idee. Een beloning bijna. Mijn boeken hoeven ook niet gelezen te blijven, dat kan mij niks schelen. Ik vind het leven zo onbelangrijk eigenlijk, het rolletje dat wij spelen is zo belachelijk klein en onnozel. Het moet wel gespeeld worden, maar ik hecht er geen enorme waarde aan. Waar ik mee bezig ben is overleven. Er met zo min mogelijk kleerscheuren vanaf komen. De bedoeling van het leven is om het te volbrengen. Ik kan mij niet voorstellen dat ik zelf een eind aan mijn leven zou maken, want ik denk dat dat de bedoeling niet is. Het is: doorleven en dan uitdoven. Als dat allemaal lukt, ben ik blij, en kan ik straks – pffff – rustig sterven. Daarom vind ik het ook niet erg dat ik geen nageslacht heb. Stel je voor dat er nog een ander leven is waar ik óók heel erg aan hecht, en dat nog eens vijftig jaar verder moet – daardoor zou ik enorm belast sterven. Ik wil kunnen denken: nu mag ik gaan.”

Arthur Japin Buiten is het feest. De Arbeiderspers, 304 blz, 21,95 euro

    • Gijs Groenteman