Ghanese dwergen

Hij zit naast me in ons vaste restaurant, zijn gele overhemd lijkt op te lichten tegen zijn donkere huid. Het eerste dat hij tegen me zegt is dat hij Gideon heet en journalist is. Het tweede dat hij tegen me zegt is dat hij gehoord heeft dat ik schrijf en dat hij wel een column

Hij zit naast me in ons vaste restaurant, zijn gele overhemd lijkt op te lichten tegen zijn donkere huid. Het eerste dat hij tegen me zegt is dat hij Gideon heet en journalist is. Het tweede dat hij tegen me zegt is dat hij gehoord heeft dat ik schrijf en dat hij wel een column voor me kan regelen bij een Ghanese krant. Ik antwoord aarzelend dat ik me afvraag of het zou werken, een column van een niet-Ghanees voor Ghanees publiek. Bovendien heb ik hier twee kranten gelezen: één met droge artikelen over politiek en één waarvan het voorpaginaverhaal luidde: ‘Fingering! 5 techniques that will make her cry with pleasure’ – ik ben benieuwd welk genre hij voor mij op het oog heeft. Ik heb echter al het verkeerde antwoord gegeven – Gideon zegt beledigd: „Goed, je wilt niet, prima.”

Van condooms krijg je aids: voor de condoom hoorde je nooit over aids

Als ik probeer het gesprek weer op gang te krijgen, verkondigt hij dat hij bezig is met een boek: over Afrika. „Afrika heeft zo veel rijkdommen”, verklaart hij. „We hebben goud, hout, koffie, mango’s, kobalt. We hebben alles, maar we zijn arm.” Op mijn vraag hoe dat komt, wil hij me een verhaal vertellen: „Ik stond naast een Ghanees en een blanke man langs de weg. De Ghanees had een aap bij zich, een huisdier. De blanke man geeft een banaan aan de Ghanees, maar zegt dan: ‘Misschien moet je ’m eerst aan je broer geven’, en wijst op de aap. Je broer. Blanken denken dat wij apen zijn.”

Ik zeg dat dit natuurlijk onzin is en vertel over Nederland, hoe gevoelig racisme ligt, over de zwartepietendiscussie en rellen rond het woord neger. Het maakt geen indruk: „Waarom brengen jullie dan giftige landbouwchemicaliën naar Afrika?” „Dat heet handel. En we gebruiken dat spul zelf ook.” Gideon schudt resoluut zijn hoofd: „Dat maken jullie enkel voor ons. Net als condooms. Van condooms krijg je aids: voor de condoom hoorde je nooit over aids.”

Ik gooi het over een andere boeg: „En Afrika zelf? Is dat nog ergens verantwoordelijk voor?” „Ja”, antwoordt Gideon. „Wij maken niet genoeg gebruik van onze dwergen.” Razendsnel probeer ik dit te plaatsen: dwergen? Een soort volk? Meer toerisme? Iets met dwergwerpen? „Dwergen zijn onze beschermers”, zegt hij. „Ze kunnen 190 jaar worden, zijn onzichtbaar en ze lachen als je een dure auto koopt, omdat ze weten dat je binnenkort zult sterven. Als je geld wilt, halen ze hun hand langs de muur en er verschijnen dollars.”

Dit gesprek begint een vrij opmerkelijke wending te nemen. „Dus… dwergen zijn tovenaars?” zeg ik, maar terwijl Gideon alles uitlegt over de magische krachten van dwergen, denk ik na over dit gesprek. Voordat de dwergen ten tonele verschenen, was het al duidelijk dat Gideon en ik radicaal anders over bepaalde zaken denken – maar ik had wel het gevoel dat we beiden argumenten gaven, dat we hoopten de ander te kunnen overtuigen of in ieder geval te doen twijfelen. Maar met de dwergen, de magie en de bezweringen, zijn vanzelfsprekende geloof in het hogere, wordt er een wereld toegevoegd waar argumenten geen betekenis meer hebben, een wereld waar ik niet bij kan.

Ik twijfelde nu nog meer aan die Ghanese column. Al zou ik hem ook weer wél willen schrijven, over zwartepieten, negerrellen en condooms.