‘Büch maakte roman van zijn leven. Na zijn dood is er van hem een karikatuur gemaakt’

Eva Rovers/ Foto Eric de Wildt

Hij was vandaag 64 geworden, bibliofiel en tv-maker Boudewijn Büch. Sinds zijn overlijden op 23 november 2002 is hij vooral neergezet als pathologische leugenaar en fantast. In een recente publicatie wil Büch-biografe Eva Rovers dat beeld nuanceren.

Ook Eva Rovers, de biografe die een jaar geleden begon aan haar in 2016 te verschijnen biografie van Boudewijn Büch, werd eens door Büch geïnspireerd. ‘Op de middelbare school zag ik een aflevering van Büchs reisprogramma De wereld van Boudewijn Büch waarin hij het graf bezocht van de Amerikaanse dichteres Sylvia Plath. Ik stond de ochtend daarna direct in de schoolbibliotheek om een bundel van haar te lenen.’

In ‘Boudewijn Büch en het Goetheaanse spel met feit en fictie’, Rovers’ begin november in het Tijdschrift voor Biografie verschenen eerste Büchpublicatie sinds ze met het biografieproject begon, benadrukt Rovers deze kant van Boudewijn Büch. Büch als enthousiasmerend bibliofiel, innemend Goethe-adept en ‘inspirator’. Dat beeld is sinds 2004 vergeten. Vandaag de dag lijken we Büch slechts te herinneren als leugenaar en ‘fantast’.

Belangrijkste aanleiding daartoe gaven enkele onthullingen die in 2004 werden gedaan door Büchbiografen Frans Mouws en Rudie Kagie. Zij kwamen zo’n anderhalf jaar na de dood van Büch bijna simultaan op het spoor van de jongen die model stond voor de ‘kleine blonde’, het op 5-jarige leeftijd overleden zoontje van hoofdpersoon Boudewijn Büch in de roman De kleine blonde dood.

Die jongen bleek nog in leven te zijn. Daarmee bleek direct Büchs claim dat hij in 1975 zijn 5-jarig zoontje zou hebben verloren, de inspiratie voor zijn roman uit 1985, ongegrond. In haar artikel memoreert biografe Eva Rovers aan de ‘golf van verbijstering’ die bij het horen van dit nieuws door Nederland ging. Van inspirator verwerd Büch kort na zijn dood tot charlatan. Rovers: ‘Buch heeft van zijn leven een roman gemaakt, maar na 2002 is er van Büch een karikatuur gemaakt.’

Rovers zegt nu de boeken uit 2004 als eerste aanzet te beschouwen. Büchs leugens slechts benoemen, zoals Kagie dat deed, is volgens Rovers niet genoeg. ‘De mystificaties van Büch, hoe kwetsend ook, moeten niet geplaatst worden in het hokje ‘waar’ of ‘niet waar’. Er moet gekeken worden waarom Buch ze in het leven riep.’ In haar eerste artikel geeft Rovers daar al een eerste aanzet toe en betoogt ze dat Büch zijn leven modelleerde naar het leven van Goethe, met wie hij dweepte. Meer nog dan dat hoopte hij zelf ooit net als de Duitse dichter gezien te worden als een groot schrijver.

Met die gedachte speelde Büch al vroeg, zegt Rovers. Ze spitte het afgelopen jaar het zeventig archiefdozen tellende Bücharchief door met daarin handschriften, brieven, dagboeken en agenda’s. In die goed gerubriceerde papiermassa van bij elkaar twintig meter vond ze veel aanwijzigen voor Büchs ambities. Zoals een veelzeggende opmerking in zijn dagboek. ‘Op zijn achttiende schrijft Büch bij een opmerking in zijn dagboek: ‘dit mag mijn toekomstig tekstredacteur weglaten’. Bij het lezen van dit soort opmerkingen denkt ik nu wel: dat bepaal ik zelf wel.’

Rovers wenst zich graag zo objectief mogelijk op te stellen ten opzichte van haar subject. Op het oog een lastige opgave, lastiger dan bij het schrijven van haar met de Hazelhoff Roelfzema Prijs bekroonde biografie van Helene Kröller-Müller uit 2010. Bij het schrijven daarvan, waren er nog maar drie kleindochters in leven.

Bij Büch is het tegenovergestelde het geval. Niet alleen diens moeder en vijf broers leven nog. Ook de talloze vrienden hebben allemaal hun eigen herinnering aan Büch. Een aantal van deze vrienden zette de Werkgroep Boudewijn Büch Biografie op, die in 2010 een vacature uitschreef, op zoek naar een biograaf die een ‘evenwichtig’ beeld kon geven van hun vriend. De Werkgroep organiseerde tevens de Boudewijn Büchlezing die op 17 november door Adriaan van Dis in Wassenaar werd gehouden met als doel geld voor het biografieproject binnen te halen.

Toch zegt Rovers te huiveren voor verdere financiële betrekkingen met zowel vrienden als familie van Büch. Zij is zelfstandig onderzoekster en krijgt subsidie van onder andere het Nederlands Letterenfonds en de Hartenfonds. De druk van vrienden en familie op haar onderzoeksproces nam ze zelf weg door al voordat ze de baan als biografe aannam duidelijkheid te krijgen over haar bewegingsvrijheid: ‘Ik wil geen ghostwriter zijn. Voordat ik aan mijn Kröller-Müller biografie begon heb ik daarom ook direct gevraagd of er dingen waren die ik niet op mocht schrijven. Zo ja, dan had ik het niet gedaan. Bij mijn sollicitatie in 2011 voor de Büchbiografie heb ik dat weer gevraagd en de werkgroep heeft mij verzekerd dat ze op afstand blijven. Zij weten dat er uiteindelijk ook modder boven zal komen.’

Volgens Rovers zijn er in die ‘modder’ enige gradaties aan te brengen. Briefhoofden als ‘psychofarmacohistoricus’, een titel waar Büch zich door de jaren heen geregeld op beriep, daar kun je volgens Rovers ‘eigenlijk alleen maar heel hard om lachen’. ‘Het is meer ‘tongue in cheeck’. Maar sommige van Buchs mystificaties zijn ook ronduit pijnlijk geweest. Voor zijn familie, maar ook zeker voor iemand als Harry Prick, de in 2006 overleden conservator van het Letterkundig Museum. Prick, heeft na de zogenaamde dood van Büchs zoon in 1975 enorm meegeleefd met Boudewijn. Hij heeft hem prachtige brieven geschreven en gaf Büch zelfs 300 gulden voor de urn waar het as van zijn zoon in bewaard kon worden. Toen begin deze eeuw duidelijk werd dat Büch het verhaal van de overleden zoon had verzonnen, heeft dat Prick enorm gekwetst. Dat soort fabricaties zijn ten koste gegaan van anderen.’

Tijdens zijn leven zijn er genoeg aanwijzingen geweest dat Büch zaken mooier kon maken dan ze in werkelijkheid zijn. Adriaan van Dis gaf in zijn Büch-lezing in Wassenaar te kennen altijd geweten te hebben dat Büch die twee vermeende doctorandustitels uit zijn duim had gezogen. Rovers denkt wel een verklaring te hebben voor het feit dat Büch gedurende zijn leven uiteindelijk weinig met zijn neus op de feiten is gedrukt en dat pas na zijn dood de bom is gebarsten: ‘Mensen blijken Büch graag geloofd te hebben. Bovendien waren het vaak hele emotionele verhalen, zoals het verhaal over zijn zoon. Dat trek je niet zomaar in twijfel. En, dat moeten we niet vergeten, Büch was een charmante verteller, mensen hingen aan zijn lippen. Hij was bovendien heel belezen. Hij kon al zijn verhalen doorspekken met feiten.’

Boudewijn Büch heeft in het laatste kwart van de twintigste eeuw een belangrijke rol gespeeld in het culturele leven in Nederland. Rovers zegt in haar biografie hem in die ontwikkeling, een ontwikkeling waarin hoge en lage cultuur samenkwamen, te willen plaatsen. ‘Büch liet zien dat je van zowel Ravel als Mick Jagger kunt houden, dat je in een Rolling Stones t-shirt over Sylvia Plath kon vertellen. Dat is zijn grote kracht geweest. Hij is een belangrijke stem geweest in de democratisering van de kunst in het laatste kwart van de twintigste eeuw.’

Rovers heeft nog een paar jaar te gaan. Jaren waarin ze de hobbels van wetenschappelijk onderzoek zal moeten nemen en tegelijkertijd naar financiers moet zoeken die de financiële gaten in haar begroting kunnen opvullen. Ze spitte het afgelopen jaar Büchs archief door en sprak daarnaast met Büchs broers, zijn moeder en een aantal geliefden.

In januari 2013 zegt Rovers aan ‘een marathon’ te willen beginnen en gaat ze de vrienden en vele collega’s van Büch langs. Omdat ze ‘goed beslagen ten ijs’ wil komen, heeft ze het gesprek met een aantal vrienden, zoals Gerrit Komrij, opzettelijk uitgesteld. Het bericht van Komrij’s overleden eerder dit jaar leerde Rovers dat ze op sommige facetten van haar onderzoek geen grip heeft. ‘Weg kans’, zegt Rovers. ‘Maar gelukkig zijn er nog de brieven. En die hebben een beter geheugen dan mensen.’